MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Diagnose

De aanvankelijke diagnose van oogziekten wordt gebaseerd op de symptomen die de patiënt beschrijft en op het uiterlijk van de ogen. Verschillende onderzoeken kunnen worden uitgevoerd om de diagnose te bevestigen of om de mate of ernst van de ziekte te bepalen.

Refractie

Refractie (oogmeting) wordt gebruikt om problemen met het scherp stellen te beoordelen. Problemen met de gezichtsscherpte (visus) als gevolg van brekingsafwijkingen, zoals bijziendheid, verziendheid, astigmatisme en ouderdomsverziendheid, worden door middel van refractie vastgesteld. De gezichtsscherpte wordt meestal gemeten volgens een schaal waarbij iemands gezichtsvermogen op ongeveer 6 meter afstand wordt vergeleken met dat van iemand die perfect ziet. Iemand die een gezichtsscherpte van 1 heeft, ziet voorwerpen op 6 meter afstand met dezelfde helderheid als iemand met een normale gezichtsscherpte. Iemand met een gezichtsscherpte van 0,5 ziet echter op 6 meter wat iemand met een normale gezichtsscherpte op 12 meter nog kan zien. In één belangrijk onderzoek voor de gezichtsscherpte worden de optotypen van Snellen gebruikt. Dit is een verzameling letters die in rijen naar beneden toe steeds kleiner worden. De kaart wordt vanaf een standaardafstand gelezen. De gezichtsscherpte (mate waarin iemand duidelijk kan zien) wordt bepaald door de grootte van de rij letters die de patiënt nog net kan lezen. Voor mensen die niet kunnen lezen, kan een aangepaste kaart worden gebruikt, waarbij de letters worden vervangen door een hoofdletter ‘E', die willekeurig wordt gedraaid. De patiënt moet zeggen in welke richting de opening van de letter wijst.

Automatische refractie wordt uitgevoerd met apparaten die de brekingsafwijking van het oog bepalen door vast te stellen hoe licht wordt gebroken wanneer dit het oog van de patiënt binnenkomt. De patiënt zit voor de autorefractor. Een lichtstraal verlaat het apparaat, waarna de oogreactie wordt gemeten. Met deze informatie wordt berekend welke lenssterkte de patiënt nodig heeft om de brekingsafwijking te corrigeren. Deze meting duurt maar enkele seconden.

Een foropter is een apparaat dat meestal in combinatie met een Snellen-kaart wordt gebruikt om te bepalen welke brillenglazen of contactlenzen de brekingsafwijking het beste corrigeren. De foropter bevat een volledige set corrigerende lenzen, zodat de patiënt verschillende correctieniveaus kan vergelijken terwijl hij naar de kaart kijkt. Doorgaans gebruikt de oogarts de foropter om de informatie te verfijnen die hij heeft verkregen uit de metingen met de autorefractor, voordat hij brillenglazen of contactlenzen voorschrijft.

Gezichtsveldonderzoek

Het gezichtsveld is het gehele gebied dat iemand vanuit elk oog ziet, inclusief de hoeken (perifere gezichtsveld). Het gezichtsveld wordt vaak getest als vast onderdeel van een oogonderzoek. Het kan ook worden gecontroleerd als iemand bepaalde veranderingen in zijn gezichtsvermogen opmerkt, bijvoorbeeld wanneer hij aan één kant telkens tegen voorwerpen aanloopt. De arts kan het perifere gezichtsveld het eenvoudigst onderzoeken door tegenover de patiënt te gaan zitten en op gezichtshoogte een vinger vanaf de linker en rechter kant naar het midden van het gezichtsveld te bewegen. De patiënt zegt dan wanneer hij de bewegende vinger voor het eerst ziet. Hij moet daarbij zijn blik op het gezicht van de arts gericht houden (niet de vinger opzoeken), anders hebben de testresultaten geen waarde. Elk oog wordt afzonderlijk getest.

Het gezichtsveld kan preciezer worden gemeten met de perimeter van Goldmann. Bij dit onderzoek kijkt de patiënt naar het midden van een zwart scherm of een hol, wit, sferisch apparaat (dat op een kleine schotelantenne lijkt). Een lichtbron wordt vanuit veel verschillende richtingen langzaam van de rand naar het midden van het gezichtsveld bewogen. De patiënt geeft aan wanneer hij de lichtbron voor de eerste keer vanuit zijn ooghoek ziet. De arts markeert de plaats om aan te geven waar de persoon kan zien. Op die manier kan hij blinde plekken (scotomen) herkennen. Gezichtsveldmetingen kunnen worden verricht door middel van geautomatiseerde computerperimetrie. Hierbij kijkt de patiënt naar het midden van een grote, ondiepe schaal en drukt hij telkens wanneer hij een lichtpunt ziet op een knop.

Het schema van Amsler wordt gebruikt om het centrale gezichtsgebied te onderzoeken. Dit schema bestaat uit een zwart kaartje dat met een wit ruitpatroon is bedekt met een witte stip in het midden. Als de patiënt met één oog kijkt, neemt hij vervormingen waar in de lijnen van het ruitpatroon terwijl hij naar de witte stip kijkt. Elk oog wordt apart getest op een normale leesafstand en met leesbril als de patiënt deze gewoonlijk gebruikt. Als een patiënt een deel van het ruitpatroon niet ziet, kan er sprake zijn van een abnormale blinde plek. (Iedereen heeft een normale, maar zeer kleine blinde vlek op de plaats waar de oogzenuw het oog verlaat. Niemand is zich daarvan echter bewust.) Golvende lijnen duiden op een mogelijk probleem met de gele vlek (macula). De test is zo eenvoudig dat mensen deze thuis kunnen uitvoeren. Dit is zinvol om het verloop van maculadegeneratie te controleren.

Onderzoek naar kleurenblindheid

Verschillende onderzoeken kunnen worden uitgevoerd om een verminderd vermogen vast te stellen om bepaalde kleuren waar te nemen (kleurenblindheid). De Ishihara-test, die het meest wordt gebruikt, bestaat uit platen met patronen van kleine, gekleurde cirkels tegen een witte achtergrond die samen een grote cirkel vormen. De kleine cirkels zijn meestal zo gerangschikt dat mensen die kleuren normaal zien, een bepaald cijfer herkennen. Mensen die kleurenblind zijn, zien een ander cijfer of helemaal geen cijfer, afhankelijk van de vorm van kleurenblindheid.

Oftalmoscopie

Een (directe) oftalmoscoop is een handapparaat dat op een kleine lamp met vergrotende lenzen lijkt. Hiermee laat de arts licht in het oog schijnen zodat hij het hoornvlies, de lens en het netvlies kan onderzoeken. De patiënt moet recht naar voren kijken wanneer de lichtbundel in het oog schijnt. Vaak krijgt de patiënt oogdruppels om de pupil te verwijden, zodat de arts beter zicht heeft. Oftalmoscopie (oogspiegelonderzoek) is niet pijnlijk, maar als de pupillen met oogdruppels worden verwijd, kan het zicht wazig zijn en is de patiënt gedurende enkele uren gevoeliger voor licht.

Oftalmoscopie vormt een standaardonderdeel van elk regulier oogonderzoek en is niet alleen maar zinvol om veranderingen in het netvlies door oogziekten te ontdekken. Ook veranderingen die door bepaalde ziekten in andere delen van het lichaam worden veroorzaakt, kunnen worden opgemerkt. Dit onderzoek is bijvoorbeeld zinvol om veranderingen te ontdekken die optreden in de bloedvaten van het netvlies bij mensen met een hoge bloeddruk, arteriosclerose of diabetes mellitus. Met oftalmoscopie kan ook een verhoogde druk in de hersenen worden vastgesteld. Hierdoor zwelt de normaal komvormige blinde vlek (papiloedeem) op en kan deze naar buiten worden gedrukt. Tumoren op het netvlies kunnen met de oftalmoscoop worden gezien. De diagnose ‘maculadegeneratie' kan eveneens door middel van oftalmoscopie worden gesteld.

Soms gebruikt de arts een instrument dat ‘indirecte oftalmoscoop' wordt genoemd. Dit apparaat met twee oculairs bevindt zich op het hoofd van de arts, terwijl deze een lens met de hand voor het oog van de patiënt houdt om het beeld in het oog scherp te stellen. Deze methode levert een driedimensionaal beeld op, waardoor voorwerpen met diepte, zoals een loslatend netvlies of een gezwollen blinde vlek, beter zichtbaar zijn. Hierbij kan ook een fellere lichtbron worden gebruikt. Dat is belangrijk als het oog van binnen troebel is, bijvoorbeeld door een infectie of cataract (grijze staar). Met de indirecte oftalmoscoop kan ook een veel breder beeldveld worden verkregen dan met een gewone oftalmoscoop, zodat de arts per keer een groter gedeelte van het netvlies kan onderzoeken.

Wat is een oftalmoscoop?

Wat is een oftalmoscoop?

Met een oftalmoscoop kan de oogarts de binnenkant van het oog controleren. Het instrument bestaat uit een onder een hoek geplaatste spiegel, een aantal lenzen en een lichtbron. Hiermee kan de arts het glasachtig lichaam (de geleiachtige vloeistof in de oogbol), het netvlies, het uiteinde van de oogzenuw, de netvliesaders en de netvliesslagaders zien.

Spleetlamponderzoek

Wat is een spleetlamp?

Wat is een spleetlamp?

Met een spleetlamp kan de oogarts het gehele oog onder sterke vergroting onderzoeken. De spleetlamp laat een felle lichtstraal in het oog schijnen.

De spleetlamp is een binoculaire microscoop die op de tafel staat waarmee licht in het oog schijnt zodat de arts het gehele oog bij sterke vergroting kan onderzoeken. De spleetlamp biedt betere optische mogelijkheden dan de oftalmoscoop, namelijk vergroting en een driedimensionaal beeld, waardoor diepte kan worden gemeten. Vaak worden oogdruppels toegediend om de pupillen te verwijden, zodat de arts nog meer van het oog kan zien, onder andere de lens, het glasachtig lichaam, het netvlies en de oogzenuw. Soms wordt bij personen van wie bekend is of van wie wordt vermoed dat ze glaucoom (zie Glaucoom: Introductie) hebben, een extra lens op of voor het oog gehouden om de ‘hoek' tussen de iris en het voorste gedeelte van het oog (binnenste oppervlak van het hoornvlies) te onderzoeken. Dit onderzoek wordt ‘gonioscopie' genoemd.

Tonometrie

Met tonometrie wordt de druk van het kamerwater binnen in het oog gemeten. Het kamerwater is de vloeistof in het voorste gedeelte van het oog. De normale druk binnen in het oog is 8 tot 21 mmHg. De druk in het oog wordt gemeten om bepaalde vormen van glaucoom te ontdekken en de behandeling ervan te volgen.

De non-contact tonometer (of air-puff-tonometer) wordt gebruikt bij de controle op een verhoogde oogdruk. Dit apparaat is niet zeer nauwkeurig, maar kan goed voor screening worden gebruikt. Een klein plofje lucht (niet pijnlijk) wordt tegen het hoornvlies geblazen, zodat de patiënt gaat knipperen. Het zuchtje lucht plat het hoornvlies af. Het apparaat meet de tijd (in duizenden van een seconde) die het kost voordat het hoornvlies plat is. Het kost minder tijd om het hoornvlies in een oog met normale druk af te platten dan in een oog met verhoogde oogdruk.

Voor het meten van de oogdruk worden ook draagbare handinstrumenten gebruikt. Er worden oogdruppels toegediend die het oog verdoven. Vervolgens wordt het instrument voorzichtig op het hoornvlies geplaatst en kan de meetwaarde worden afgelezen. Draagbare tonometers kunnen worden gebruikt bij de afdeling SEH of op een huisartsenpraktijk om snel een verhoogde oogdruk te kunnen vaststellen.

Applanatietonometrie is een nauwkeurigere methode. De applanatietonometer wordt meestal op een spleetlamp aangesloten. Nadat het oog met druppels is verdoofd, wordt het instrument voorzichtig verplaatst totdat het op het hoornvlies rust. Ondertussen observeert de arts het hoornvlies door een spleetlamp. De hoeveelheid druk die nodig is om het hoornvlies in te drukken, hangt af van de druk in het oog.

Fluoresceïneangiografie

Op een fluoresceïneangiogram kan een arts de bloedvaten aan de achterzijde van het oog goed zien. Een fluorescerende kleurstof die in blauw licht zichtbaar is, wordt in een ader in de arm van de patiënt gespoten. Deze kleurstof verspreidt zich via het bloed door het gehele lichaam en komt ook in de bloedvaten van het netvlies terecht. Kort nadat de kleurstof is ingespoten, wordt het netvlies een aantal malen kort na elkaar gefotografeerd. De kleurstof in de bloedvaten fluoresceert, zodat de vaten duidelijk zichtbaar zijn. Fluoresceïneangiografie is vooral zinvol om de diagnose van ‘maculadegeneratie', ‘afgesloten bloedvaten van het netvlies' of ‘diabetische retinopathie' te kunnen stellen.

Elektroretinografie

Met elektroretinografie kan een arts de functie van de fotoreceptoren in het netvlies onderzoeken door de respons van het netvlies op lichtflitsen te meten. Met oogdruppels wordt het oog verdoofd en de pupil verwijdt zich. Vervolgens wordt een registratie-elektrode in de vorm van een contactlens op het hoornvlies aangebracht en wordt een andere elektrode op een nabijgelegen punt op de gezichtshuid geplaatst. De ogen worden opengehouden. De kamer wordt verduisterd en de patiënt kijkt naar een lichtbron die lichtflitsen uitzendt. De elektrische activiteit die in reactie op de lichtflitsen door het netvlies wordt gegenereerd, wordt door de elektroden geregistreerd. Elektroretinografie is vooral zinvol voor het evalueren van ziekten als retinitis pigmentosa, waarbij het netvlies of de fotoreceptoren worden aangetast.

Echografie

Het oog kan worden onderzocht door middel van echografie, waarbij wordt gebruikgemaakt van ultrasoon geluid. Een sonde wordt voorzichtig tegen het gesloten ooglid geplaatst. Deze weerkaatst geluidsgolven vanaf de oogbol zonder dat dit pijn doet. De gereflecteerde geluidsgolven leveren een tweedimensionaal beeld van de binnenkant van het oog op. Echografie is zinvol wanneer een oftalmoscoop of spleetlamp het netvlies niet zichtbaar kan maken omdat het oog van binnen troebel is of omdat iets het zicht belemmert. Met echografie kan ook de aard van abnormale structuren in het oog, zoals een tumor, worden vastgesteld. Daarnaast kan echografie worden gebruikt om de bloedvaten te onderzoeken die het oog van bloed voorzien (dopplersonografie) en om de dikte van het hoornvlies bij pachymetrie te bepalen.

Pachymetrie

Pachymetrie (het meten van de dikte van het hoornvlies) wordt meestal door middel van echografie uitgevoerd. Een nauwkeurige meting van de dikte van het hoornvlies is zeer belangrijk bij refractiechirurgie, zoals LASIK. (zie Brekingsafwijkingen: Chirurgische ingrepen bij brekingsafwijkingen)

Voor ultrasone pachymetrie wordt een verdovende oogdruppel toegediend en wordt een ultrasone sonde voorzichtig op het oppervlak van het hoornvlies aangebracht. Voor optische pachymetriemethoden zijn geen verdovende oogdruppels nodig omdat de instrumenten het oog niet aanraken.

Computertomografie (CT) en magnetische kernspinresonantie (MRI)

Deze beeldvormende technieken kunnen worden toegepast om gedetailleerde informatie te verkrijgen over de structuren in het oog en over de botstructuur die het oog omgeeft (de oogkas). Computertomografie (CT) is vooral zinvol om vreemde voorwerpen in het oog te lokaliseren.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Introductie

Volgende: Symptomen

Illustraties
Tabellen
Disclaimer