MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Introductie

Overgewicht is het gevolg van de stapeling van overmatig lichaamsvet (vetzucht).

Voor de meeste mensen is overgewicht gemakkelijk te herkennen, maar medisch gezien wordt er onderscheid gemaakt tussen overgewicht en obesitas (ernstig overgewicht). Om deze aandoeningen te definiëren wordt gebruikgemaakt van de Quetelet-index (QI). De QI wordt berekend door het gewicht (in kilogram) te delen door het kwadraat van de lengte (in meter). Overgewicht wordt gedefinieerd als een QI van 25 tot 29,9 en obesitas wordt gedefinieerd als een QI van 30 of meer (zie Diagrammen voor beoordeling van lichaamsgroei en -gewicht).

Bij het definiëren van obesitas wordt ook rekening gehouden met de samenstelling van het lichaam (het percentage vet en spieren in het lichaam). Bij vrouwen met meer dan 30% lichaamsvet of mannen met meer dan 25% lichaamsvet is er sprake van obesitas (zie Overzicht van de voedingsleer:IntroductieKader). Mensen die sterk gespierd zijn en weinig lichaamsvet hebben (zoals bodybuilders), kunnen een hoge Quetelet-index hebben zonder dat er sprake is van overgewicht en zonder verhoging van hun gezondheidsrisico's.

Een Quetelet-index van 20 tot 25 kg/m2 is normaal. Bij waarden tussen de 25 en 30 kg/m2 nemen de gezondheidsrisico's toe. Bij een Quetelet-index hoger dan 30 kg/m2 is er sprake van obesitas en een medische indicatie om af te vallen. Het blijkt dat circa 40% van de Nederlandse volwassen bevolking een Quetelet-index hoger dan 25 en 10% hoger dan 30 kg/m2 heeft. Daarnaast is de tailleomtrek (de buikomvang, gemeten tussen de onderste ribbenboog en de bekkenkam) vooral bij personen met een Quetelet-index van 25 tot 35 een relevante maat. Bij mannen geldt een verhoogd risico als de maten tussen 94-102 cm liggen, bij vrouwen tussen 80-88 cm. Ernstig verhoogd risico lopen mannen met een tailleomtrek boven 102 cm en vrouwen boven 88 cm.

Overgewicht komt overal ter wereld steeds vaker voor.

Obesitas komt vaker bij vrouwen dan bij mannen voor. Hoe vaak het voorkomt (de prevalentie), hangt af van leeftijd en ras. De prevalentie neemt bijvoorbeeld toe van ongeveer 14% op 25-jarige leeftijd tot 32% op 55-jarige leeftijd en neemt vervolgens af tot 22% op 75-jarige leeftijd. Obesitas komt even vaak bij zwarte als blanke mannen voor en komt iets vaker bij mannen van Latijns-Amerikaanse origine voor. Obesitas komt echter veel vaker bij zwarte en Latijns-Amerikaanse vrouwen dan bij blanke vrouwen voor. Bij ongeveer 67% van de zwarte vrouwen van middelbare leeftijd is er sprake van overgewicht of obesitas, tegenover 45% van de blanke vrouwen van middelbare leeftijd.

Oorzaken

Overgewicht ontstaat doordat meer calorieën worden ingenomen dan het lichaam verbruikt. Het aantal benodigde calorieën varieert per persoon en is afhankelijk van leeftijd, geslacht, lichamelijke activiteit en stofwisselingssnelheid (de snelheid waarmee het lichaam calorieën verbrandt).

Genetische factoren en omgevingsfactoren hebben invloed op het lichaamsgewicht, maar hoe deze factoren op elkaar inwerken, is niet duidelijk. Volgens een hypothese is het lichaamsgewicht ingesteld op een bepaalde waarde, ongeveer als een thermostaat. Bij sommige mensen is deze waarde hoger dan normaal. Dit zou verklaren waarom sommige mensen overgewicht hebben en waarom het voor hen moeilijk is af te vallen en een lager gewicht te handhaven.

Overgewicht komt vaak in bepaalde families voor. Families hebben echter niet alleen genen gemeen, maar ook hun omgeving en het is moeilijk deze twee invloeden te scheiden. Genetische factoren verklaren ongeveer eenderde tot tweederde van de variatie in het lichaamsgewicht.

Er zijn verschillende genen die het gewicht beïnvloeden. Eén gen dat geïdentificeerd is, het ob-gen (obesitas-gen), regelt de productie van leptine. Leptine is een eiwit dat door vetcellen wordt gemaakt. Leptine wordt naar de hersenen getransporteerd, waar het inwerkt op receptoren in de hypothalamus (het deel van de hersenen dat de eetlust regelt). De boodschap die leptine overbrengt is: verlaag de voedselinname en verhoog het calorieverbruik (de verbruikte energie). Onderzoekers hebben ontdekt dat mutaties in het ob-gen de productie van leptine verhinderen, met als gevolg ernstige obesitas zoals gevonden in dierproeven bij muizen, maar dat ook blijkt te bestaan bij een zeer klein aantal kinderen. In deze gevallen is toediening van leptine doeltreffend bij het terugbrengen van het gewicht tot een normale waarde. De meeste deskundigen nemen echter aan dat bij de meeste mensen het gewicht wordt beïnvloed door een groot aantal genen en dat elk gen een zeer klein effect heeft. Deze genen zijn nog niet geïdentificeerd. Het is daarom niet waarschijnlijk dat obesitas in de nabije toekomst genetisch kan worden behandeld.

Gebrek aan lichaamsbeweging is een van de belangrijkste oorzaken van de toename van het aantal mensen met overgewicht in de welvaartsmaatschappij. Het is ook een veel voorkomende oorzaak van overgewicht bij ouderen. Mensen die een zittend bestaan leiden, hebben minder calorieën nodig. Wanneer de lichamelijke activiteit toeneemt, neemt de voedselinname gewoonlijk toe. Wanneer de lichamelijke activiteit afneemt, neemt de voedselinname echter niet altijd in dezelfde mate af en bij sommige mensen neemt deze zelfs toe.

In welvarende landen is het vetgehalte in de voeding toegenomen. Een probleem met een vetrijke voeding is dat vetten minder snel dan koolhydraten of eiwitten tot een verzadigingssignaal leiden. Daardoor bestaat bij een vetrijke voeding de neiging om meer te eten. Verder bevatten vetten tweemaal zoveel calorieën per gram als koolhydraten en eiwitten.

Alcoholgebruik kan bijdragen tot overgewicht. Alcohol leidt meestal tot een verhoging van het aantal ingenomen calorieën doordat alcohol gewoonlijk naast de voeding wordt gebruikt. Een borrel bevat ongeveer 70 kilocalorieën. Een glas pils bevat ongeveer 85 kilocalorieën. Zodra alcohol wordt genuttigd, wordt deze gebruikt als energie, met als gevolg dat de calorieën die uit de voeding worden opgenomen als vet worden opgeslagen (men spreekt van ‘lege calorieën'). Verder bevordert alcohol vaak de eetlust en vermindert het de zelfbeheersing.

Sociaal-economische factoren hebben grote invloed op overgewicht, vooral bij vrouwen. In de Verenigde Staten en andere geïndustrialiseerde landen, zoals Nederland, komt overgewicht meer dan tweemaal zo vaak voor bij vrouwen uit lagere sociaal-economische groepen als bij vrouwen uit hogere klassen.

Mensen die als kind te zwaar waren (zie Problemen bij adolescenten: Obesitas), hebben meer kans op overgewicht als volwassene, hoofdzakelijk doordat bij gewichtstoename tijdens de peuter- en vroege kinderjaren nieuwe vetcellen worden gevormd. Mensen die in hun jeugd te zwaar worden, kunnen tot vijfmaal meer vetcellen hebben dan mensen die op een normaal gewicht zijn gebleven. Aangezien het aantal cellen niet kan worden verminderd, is gewichtsverlies alleen mogelijk door de hoeveelheid vet in elke cel te verminderen. Dit kan een beperking vormen voor de hoeveelheid gewichtsverlies die mogelijk is en kan het handhaven van een normaal lichaamsgewicht bemoeilijken.

Overgewicht bij kinderen neemt sterk toe. In de periode van 1980 tot 1997 is het vóórkomen van ervan meer dan verdubbeld. Momenteel heeft 10% van de jeugdigen overgewicht. Bij jongens van 5 tot 11 jaar is het optreden van ernstig overgewicht (obesitas) in die periode zelfs verachtvoudigd. Het is bekend dat kinderen met overgewicht een hoog risico lopen ook op volwassen leeftijd te dik te blijven, met alle negatieve gevolgen voor de gezondheid. Overgewicht bij kinderen wordt dan ook als een van onze belangrijkste gezondheidsrisico's gezien.

Gewichtstoename tijdens de zwangerschap is normaal en noodzakelijk. Voor sommige vrouwen is de zwangerschap echter het begin van gewichtsproblemen. Ze komen veel aan en raken het gewicht later niet meer kwijt. Het vlak na elkaar krijgen van enkele kinderen kan het probleem verergeren.

Na de menopauze komen veel vrouwen aan. In deze periode vindt er als gevolg van hormonale veranderingen een herverdeling van het vet over het lichaam plaats. Er wordt nu meer vet afgezet rond het middel dan op de heupen en dijen (deze herverdeling verhoogt de gezondheidsrisico's (zie Overgewicht: Symptomen)). Minder actief worden, wat geleidelijk en ongemerkt kan gebeuren op deze leeftijd, draagt ook bij aan de gewichtstoename. Deze verminderde lichamelijke activiteit in combinatie met een onevenwichtig voedingspatroon is verreweg de belangrijkste oorzaak van het toenemen van het lichaamsgewicht met het vorderen van de leeftijd.

Psychologische factoren, zoals emotionele spanningen, worden niet langer als een belangrijke oorzaak van overgewicht beschouwd. Stress kan echter het gewicht beïnvloeden. Bij stress eten sommige mensen meer en andere minder.

Hormonale stoornissen veroorzaken zelden overgewicht. Overmatige productie van cortisol Handelsnaam
Hydrocortone
Solu‑Cortef
Buccalsone
Locoid
Mildison
door de bijnieren (Cushing-syndroom) veroorzaakt een bijzonder type overgewicht waarbij er alleen in de romp vet wordt gestapeld terwijl de armen en benen dun blijven. Het polycysteusovariumsyndroom (zie Menstruatiestoornissen en abnormaal vaginaal bloedverlies: Polycysteusovariumsyndroom) kan met overgewicht gepaard gaan. Soms kan een verhoogde insulinespiegel (hyperinsulinemie) overgewicht veroorzaken.

Veel geneesmiddelen die worden gebruikt voor regelmatig voorkomende aandoeningen leiden tot gewichtstoename. Voorbeelden zijn geneesmiddelen die worden gebruikt voor het behandelen van psychologische en neurologische aandoeningen (waaronder veel antidepressiva en antipsychotica), sommige antihypertensiva (bloeddrukverlagende middelen, zoals bètablokkers), corticosteroïden en sommige middelen voor de behandeling van diabetes mellitus (zoals insuline).

Stoppen met roken leidt gewoonlijk tot gewichtstoename. Nicotine Handelsnaam
Nicorette
Nicodon
Nicotinell
verlaagt de eetlust en verhoogt de stofwisselingssnelheid. Wanneer er geen nicotine Handelsnaam
Nicorette
Nicodon
Nicotinell
meer wordt gebruikt, neemt daardoor de voedselinname toe en neemt de stofwisselingssnelheid af, zodat er minder calorieën worden verbrand. Als gevolg daarvan kan het lichaamsgewicht met 5 tot 10% toenemen.

Symptomen

De stapeling van overmatig lichaamsvet verandert het uiterlijk. Mensen met ernstig overgewicht vertonen vaak een abnormale gang als aanpassing aan hun gewicht. Ze plaatsen hun voeten verder uit elkaar, waardoor hun gang minder gelijkmatig wordt en de gewrichten worden belast. Als gevolg daarvan kan artrose ontstaan of verergeren, vooral in de heupen, knieën en enkels, waardoor het lopen nog moeilijker kan worden. Er kan ook lage rugpijn optreden. Vermoeidheid komt vaak voor. Lichamelijke en sociale activiteiten kunnen zijn verminderd als gevolg van de vermoeidheid, verminderde mobiliteit of andere complicaties. De voeten en enkels zwellen vaak op doordat er zich vloeistof ophoopt (oedeem).

Doordat bij mensen met overgewicht het lichaamsoppervlak klein is in verhouding tot het gewicht, kunnen ze hun lichaamswarmte niet efficiënt aan de omgeving afstaan en transpireren ze meer dan mensen zonder overgewicht. Huidaandoeningen komen bijzonder vaak voor doordat huidplooien vocht vasthouden.

Mensen met overgewicht kunnen moeite hebben met ademhalen en kunnen kortademig worden, zelfs bij geringe inspanning. Deze problemen treden op wanneer de longen worden samengeperst door stapeling van overmatig vet onder het middenrif (de spier die de borst van de buik scheidt) en in de borstwand. Verder kan de luchtstroom verminderd zijn als zich vet opstapelt in de weefsels die de keel bekleden, waardoor de luchtwegen vernauwd zijn. Op de rug slapen kan de ademhaling nog verder bemoeilijken (ongeacht het gewicht). Ademhalingsproblemen kunnen de slaap verstoren en de ademhaling kan kort, maar herhaaldelijk stoppen (deze aandoening wordt ‘slaapapneu' genoemd). (zie Slaapstoornissen: Slaapapneu)

Slaapapneu kan leiden tot slaperigheid overdag en andere problemen, zoals hoge bloeddruk en CVA (‘beroerte').

Overgewicht verhoogt het risico van talrijke aandoeningen. Doordat bijvoorbeeld het hart harder moet werken, komt hartfalen bij mensen met ernstig overgewicht vaker voor. Bepaalde tumoren (borst-, baarmoeder- en ovariumkanker bij vrouwen en dikkedarm-, endeldarm- en prostaatkanker bij mannen) komen vaker bij mensen met overgewicht dan bij mensen zonder overgewicht voor. Ook menstruatiestoornissen, artrose, jicht en galblaasaandoeningen komen vaker voor.

Het risico van het ontstaan van bepaalde aandoeningen wordt beïnvloed door de plaats van het overtollige vet. Bij mannen en bij vrouwen na de menopauze stapelt het vet zich gewoonlijk op in de buik, waardoor een ‘appelvorm' ontstaat (appelvetzucht). Bij vrouwen stapelt het vet zich gewoonlijk op in de dijen en billen, waardoor een ‘peervorm' ontstaat (peervetzucht). Er is een verband vastgesteld tussen appelvetzucht en een hoog risico van coronaire hartziekte, herseninfarct, hoge bloeddruk, diabetes mellitus type 2 en hoge vetgehalten in het bloed. Voor mensen met appelvetzucht leidt een gewichtsverlies van 5 tot 10% al tot een aanzienlijke verlaging van deze risico's. De bloeddruk daalt bij de meeste mensen met hoge bloeddruk en meer dan de helft van de mensen met diabetes mellitus type 2 kan stoppen met insuline of andere middelen die de bloedglucosespiegel verlagen. Gewichtsverlies en overschakelen op een vetarm dieet kan de vetgehalten in het bloed verlagen.

Overgewicht leidt tot een twee- of driemaal hoger risico van vroegtijdig overlijden. Hoe ernstiger het overgewicht, hoe hoger het risico. In Nederland sterven 20.000 mensen per jaar vroegtijdig aan overgewicht. Ieder jaar krijgen ongeveer 40.000 mensen ouderdomsdiabetes, hart- of vaatziekte of een CVA door verkeerde, ongezonde voeding met een overmaat aan calorieën.

In een cultuur die slank zijn als ideaal beschouwt, kan overgewicht psychologische of emotionele problemen veroorzaken. Veel jonge vrouwen met overgewicht hebben een negatief beeld van hun lichaam, wat leidt tot een gevoel van onzekerheid in de omgang met anderen. Mensen met overgewicht kunnen te maken krijgen met vooroordelen en discriminatie op het werk, met als gevolg gevoelens van afwijzing en een laag gevoel van eigenwaarde. Depressie lijkt echter niet vaker voor te komen bij mensen met overgewicht dan bij anderen.

Diagnose en behandeling

Overgewicht is gemakkelijk vast te stellen en de ernst wordt bepaald met behulp van de Quetelet-index (zie Diagrammen voor beoordeling van lichaamsgroei en -gewicht). Andere onderzoeken, zoals voor het bepalen van de samenstelling van het lichaam, zijn zelden nodig (zie Overzicht van de voedingsleer:IntroductieKader).

Als overgewicht niet wordt behandeld, verergert het meestal. Hoewel er vooruitgang is geboekt bij het helpen gewicht te verliezen en het handhaven van gewichtsverlies, komen de meeste mensen die gewicht verliezen opnieuw aan en meestal zijn ze binnen drie jaar terug op hun oude gewicht. De bezorgdheid dat afvallen en opnieuw aankomen (het zogenoemde ‘jojo-effect') gezondheidsproblemen veroorzaakt, is ongegrond en dient mensen met overgewicht niet te weerhouden van een poging gewicht te verliezen.

Om gewicht te verliezen moeten mensen minder calorieën opnemen dan ze verbruiken. Ze kunnen hun calorie-inname verminderen of meer bewegen (om meer calorieën te verbranden). Gewoonlijk dient zowel het een als het ander te worden gedaan.

Welke aanpak helpt, verschilt per persoon. Sommige mensen pakken het probleem zelfstandig aan, terwijl anderen dat in groepsverband met lotgenoten doen. In Nederland bestaan vooral regionale groepen die bijeenkomen om overgewicht te verminderen. Er kan worden gebruikgemaakt van boeken, tijdschriftartikelen, speciale dieetplannen en afslankproducten, zoals maaltijdvervangers. Over het succes van deze methoden is weinig informatie beschikbaar.

Anderen geven de voorkeur aan georganiseerde programma's. Gewoonlijk worden er wekelijkse bijeenkomsten gehouden door consulenten, aangevuld met instructiemateriaal en richtlijnen. Deze consulenten kunnen al dan niet bevoegde zorgverleners zijn. Dergelijke programma's hebben gewoonlijk een beperkte duur en veel mensen geven het op zonder het programma te voltooien. Er is weinig informatie over de doeltreffendheid beschikbaar. Desondanks zijn deze programma's populair, als gevolg van de beschikbaarheid en de vraag naar behandeling.

De meeste therapieën voor overgewicht zijn gericht op diëten, gecombineerd met voedingsadvies en oefeningen. De meeste programma's omvatten gedragstherapie om het volhouden van diëten en oefeningen te vergemakkelijken. Deze gedragstherapie helpt mensen bij het herkennen en wijzigen van gedragspatronen die leiden tot te veel eten (zoals boodschappen doen om levensmiddelen in te slaan wanneer ze honger hebben of calorierijke snacks in huis hebben). Als onderdeel van een therapie voor overgewicht kunnen artsen geneesmiddelen voorschrijven die helpen om gewicht te verliezen.

Dieet- en voedingsadvies: diëten is alleen zinvol wanneer er sprake is van een blijvende verandering van het eetgedrag. Er wordt mensen aangeleerd hoe ze zich geleidelijk betere eetgewoonten kunnen aanwennen door meer complexe koolhydraten (fruit, groenten, brood en pasta) te eten en het gebruik van vet te verminderen. Modediëten kunnen gevaarlijk zijn en worden afgeraden (zie Overzicht van de voedingsleer: Diëten). Voor mensen met een licht overgewicht wordt slechts een kleine beperking van de hoeveelheid calorieën en vetten aanbevolen. Gewoonlijk wordt de calorie-inname verlaagd tot 1200 à 1500 kilocalorieëen per dag. In het verleden zijn zeer caloriearme diëten gevolgd van 800 kilocalorieën per dag of zelfs minder, maar deze worden vrijwel niet meer toegepast. Na deze diëten wordt gewoonlijk snel weer het oude lichaamsgewicht bereikt.

Lichaamsbeweging: regelmatige lichaamsbeweging kan helpen om gewicht te verliezen. Een vaak voorgesteld streefdoel is 30 minuten of meer, vijf tot zeven dagen per week (zie Lichaamsbeweging en conditie: Een oefenprogramma starten). Door lichaamsbeweging verbruikt het lichaam meer calorieën. Lichaamsbeweging vormt echter geen alternatief voor het verlagen van de calorie-inname. Het verbranden van de calorieën in één alcoholische consumptie kost ongeveer één uur wandelen en het verbranden van de calorieën in één gebakje kost ongeveer één uur hardlopen.

Inspannende lichaamsbeweging, zoals joggen, stevig wandelen (vijf à zes kilometer per uur), fietsen, tennis enkelspel, schaatsen en langlaufen verbruikt meer calorieën dan minder inspannende lichaamsbeweging (zie Lichaamsbeweging en conditie:De juiste trainingsvorm kiezenTabellen). Bij stevig wandelen worden bijvoorbeeld ongeveer vier kilocalorieën per minuut verbrand, zodat door één uur stevig wandelen ongeveer 240 kilocalorieën worden verbrand. Hardlopen heeft meer effect. Daarbij worden ongeveer zes tot acht kilocalorieën per minuut verbrand.

Geneesmiddelen: op dit moment zijn er twee vermageringsmiddelen op recept verkrijgbaar: orlistat Handelsnaam
Xenical
en sibutramine Handelsnaam
Reductil
. Orlistat Handelsnaam
Xenical
beperkt de afbraak en opname van vetten in de darm, met als resultaat in feite een vetarm dieet. Van sibutramine Handelsnaam
Reductil
wordt aangenomen dat deze de eetlust remt door beïnvloeding van chemische boodschappers in het deel van de hersenen dat de eetlust regelt. Met deze middelen wordt zelden meer dan 10% gewichtsverlies bereikt. Van sommige vrij verkrijgbare dieetmiddelen, waaronder geneeskruiden, wordt beweerd dat deze gewichtsverlies bevorderen door de stofwisseling te activeren of door het gevoel van verzadiging te versterken. Hoewel deze middelen gewoonlijk onschadelijk zijn, zijn ze niet doeltreffend en, als ze stimulerende middelen bevatten (zoals efedra), wordt gebruik ervan afgeraden. Nieuwe geneesmiddelen voor de behandeling van overgewicht zijn in ontwikkeling.

Operatie: bij ernstig overgewicht (Quetelet-index hoger dan 40) kan een operatie worden overwogen. Er zijn bij de operaties twee hoofdvormen te onderscheiden. Bij verticale gastroplastiek worden rijen nietjes gebruikt in combinatie met een band die de aanvoer van voedsel naar de maag beperkt, waarbij een maagzakje met een inhoud van ongeveer 3 dl wordt gevormd, dat de hoeveelheid voedsel die bij één maaltijd kan worden gegeten drastisch beperkt. Bij een bypassoperatie (maagomleiding, een ingreep die iets doeltreffender is) wordt een deel van de dunne darm omgeleid, waardoor de voedselopname wordt verminderd. Deze operaties werden oorspronkelijk uitgevoerd door de buik te openen. Tegenwoordig wordt deze ingreep steeds vaker uitgevoerd met behulp van een laparoscoop, een kijkbuis die in de buikholte wordt ingebracht via een kleine insnijding net onder de navel. Een laparoscopische ingreep is veel minder onaangenaam en het herstel na de ingreep is veel sneller.

Deze operaties leiden tot een groot gewichtsverlies van de helft of zelfs meer van het overgewicht, ongeveer 35 tot 70 kg. Het gewichtsverlies gaat aanvankelijk snel, waarna het tempo gedurende twee jaar geleidelijk daalt. Het gewichtsverlies blijft vaak jarenlang gehandhaafd. Dit gewichtsverlies leidt tot een buitengewone vermindering van de complicaties van overgewicht (zoals hoge bloeddruk en diabetes mellitus) en verbetert de gemoedstoestand, het gevoel van eigenwaarde, het lichaamsbeeld, de mate van lichaamsbeweging en het vermogen om te werken en sociale contacten met anderen te onderhouden.

Wanneer de operatie in gespecialiseerde centra wordt uitgevoerd, wordt de ingreep goed verdragen. Bij minder dan 10% van de patiënten treden er complicaties op en minder dan 1% van de patiënten overlijdt.

Omleiding van een deel van het spijsverteringskanaal

Omleiding van een deel van het spijsverteringskanaal

Bij een bypassoperatie (maagomleiding) wordt de maag in twee delen verdeeld met rijen nietjes. Het voedsel kan alleen in het kleine, bovenste deel, een zogenoemd ‘maagzakje', komen. De dunne darm wordt doorgesneden en het deel van de dunne darm onder de plaats waar deze is doorgesneden, wordt op het maagzakje aangesloten. Op deze manier worden het onderste deel van de maag en het bovenste deel van de dunne darm overgeslagen. Als gevolg daarvan wordt de hoeveelheid voedsel die in één keer kan worden gegeten, sterk verminderd, zodat er minder voedsel wordt opgenomen. Het deel van de dunne darm boven de plaats waar deze is doorgesneden, wordt vervolgens op een lager gelegen punt aangesloten op de dunne darm. Op deze manier kunnen de spijsverteringssappen die worden geproduceerd in het overgeslagen deel van de maag de rest van de dunne darm bereiken en met het voedsel worden gemengd.

Gewoonlijk wordt de operatie uitgevoerd met behulp van een laparoscoop die wordt ingebracht via een kleine insnijding in de buik. Een laparoscopische ingreep moet onder verdoving plaatsvinden, gewoonlijk onder algehele narcose. De patiënt kan dezelfde dag naar huis of een nacht in het ziekenhuis blijven. Na de operatie kan het eten van voedsel met een hoog gehalte aan vet en geraffineerde suiker bij veel mensen leiden tot spijsverteringsproblemen, misselijkheid, diarree, transpiratie, zwakte of hartkloppingen. Deze symptomen verdwijnen echter meestal na korte tijd. Soms leidt de verminderde voedselopname tot bloedarmoede als gevolg van ijzertekort en tot tekorten aan voedingsstoffen. Deze tekorten kunnen bijna altijd worden voorkomen door gebruik van de juiste supplementen.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven
Illustraties
Tabellen
Disclaimer