MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Calcium

Het meeste calcium is in het lichaam in de botten opgeslagen, maar het komt ook voor in cellen (vooral de spiercellen) en in het bloed. Calcium is onmisbaar voor spiercontractie en voor de normale werking van veel enzymen. Het is noodzakelijk voor de vorming van botten en tanden, voor de bloedstolling en voor een normaal hartritme.

Het lichaam regelt de hoeveelheid calcium in de cellen en het bloed nauwkeurig. Om een normale calciumspiegel te handhaven moet er dagelijks ten minste 1000 tot 1500 milligram calcium worden ingenomen en moet het teveel aan calcium in de urine worden uitgescheiden. Calcium wordt zo nodig uit de botten in de bloedbaan gebracht om de calciumspiegel op peil te houden. Als er echter te veel calcium aan de botten wordt onttrokken, worden deze zwakker, wat tot osteoporose kan leiden.

De calciumspiegel wordt voornamelijk door twee hormonen geregeld: bijschildklierhormoon (parathormoon, PTH) en calcitonine Handelsnaam
Calcitonine
. Het bijschildklierhormoon wordt geproduceerd door de vier bijschildklieren die achter tegen de schildklier in de hals liggen. Wanneer de calciumspiegel in het bloed daalt, produceren de bijschildklieren meer bijschildklierhormoon. Wanneer de calciumspiegel in het bloed stijgt, produceren de bijschildklieren minder hormoon. Het bijschildklierhormoon stimuleert het spijsverteringskanaal om meer calcium op te nemen en zorgt ervoor dat de nieren vitamine D activeren. Vitamine D verhoogt het vermogen van het spijsverteringskanaal om calcium op te nemen nog verder. Ook stimuleert het bijschildklierhormoon de botten om calcium aan het bloed af te geven en zorgt het ervoor dat de nieren minder calcium uitscheiden in de urine. Calcitonine Handelsnaam
Calcitonine
, een hormoon geproduceerd door cellen van de schildklier, verlaagt de calciumspiegel door de botafbraak te vertragen.

Hypocalciëmie

Bij hypocalciëmie is de calciumspiegel te laag. Het meeste calcium in het bloed wordt getransporteerd door (gebonden aan) het eiwit albumine. Aan albumine gebonden calcium werkt als een reserve, maar heeft geen actieve functie in het lichaam. Daarmee vergeleken beïnvloedt niet-gebonden (geïoniseerd) calcium de lichaamsfuncties. Een laag gehalte aan albumine in het bloed veroorzaakt gewoonlijk dus geen problemen zolang de hoeveelheid niet-gebonden calcium normaal blijft. De totaalcalciumspiegel stemt bij een normale albuminespiegel overeen met de concentratie van niet-gebonden calcium.

Hypocalciëmie komt het vaakst voor bij overmatig calciumverlies via de urine of als geen calcium uit de botten vrijgemaakt en in de bloedbaan kan worden gebracht. Hypocalciëmie kan ontstaan bij een lage concentratie bijschildklierhormoon (bijvoorbeeld wanneer de bijschildklieren beschadigd zijn bij een schildklieroperatie), wanneer iemand geboren is zonder bijschildklieren of wanneer het lichaam slecht reageert op een normale bijschildklierhormoonspiegel (pseudo-hypoparathyreoïdie). Een lage magnesiumspiegel kan leiden tot hypocalciëmie door verlaging van de bijschildklierhormoonactiviteit. Andere oorzaken van hypocalciëmie zijn vitamine-D-gebrek (als gevolg van slechte voeding of onvoldoende blootstelling aan zonlicht), nierbeschadiging (waardoor de uitscheiding van calcium in de urine wordt verhoogd en het vermogen van de nieren om vitamine D te activeren wordt verlaagd), onvoldoende inname van calcium via de voeding, stoornissen die de opname van calcium beïnvloeden en alvleesklierontsteking.

De calciumspiegel kan tamelijk laag zijn zonder symptomen te veroorzaken. Hypocalciëmie kan geleidelijk de hersenen aantasten en leiden tot neurologische of psychologische verschijnselen als verwardheid, geheugenverlies, delirium, depressie en hallucinaties. Deze symptomen zijn omkeerbaar als de calciumspiegel weer normaal wordt. Een extreem lage calciumspiegel kan leiden tot tintelingen (vaak in de lippen, tong, vingers en voeten), spierpijn, spierkramp in de keel (met als gevolg ademhalingsmoeilijkheden), spierverstijving en spierkrampen (tetanie) en hartritmestoornissen.

Hypocalciëmie wordt – vaak nog voordat de symptomen merkbaar worden – vastgesteld bij routinematig bloedonderzoek.

Voor de behandeling van hypocalciëmie zijn orale calciumsupplementen vaak voldoende. Wanneer er al symptomen zijn, is intraveneuze toediening van calcium meestal noodzakelijk. Het gebruik van vitamine-D-supplementen helpt de opname van calcium uit het spijsverteringskanaal te verhogen.

Hypercalciëmie

Bij hypercalciëmie is de calciumspiegel te hoog. Hypercalciëmie wordt gewoonlijk veroorzaakt door hyperparathyreoïdie (overmatige uitscheiding van bijschildklierhormoon door een of meer van de vier bijschildklieren).

Een andere oorzaak van hypercalciëmie is de inname van grote hoeveelheden calcium. Soms treedt hypercalciëmie op bij mensen met maagzweren als deze veel melk drinken en calciumhoudende antacida (zuurbindende middelen) gebruiken voor hun maagzweren. De aandoening die hiervan het gevolg is, wordt het ‘melk-alkalisyndroom' genoemd. Een overdosering vitamine D kan ook de calciumspiegel beïnvloeden door sterke verhoging van de opname van calcium uit het spijsverteringskanaal.

Hypercalciëmie treedt vaak op bij mensen die kanker hebben. Tumoren van de nieren, longen of eierstokken kunnen grote hoeveelheden afscheiden van een eiwit met een gelijksoortige werking als het bijschildklierhormoon. Deze effecten worden beschouwd als een paraneoplastisch syndroom (zie Symptomen en diagnostiek bij kanker:Diagnose Kader). Calcium kan ook worden afgegeven aan het bloed wanneer de kanker zich uitzaait (metastaseert) naar botten en botcellen vernietigt. Een dergelijke vernietiging van botweefsel komt vooral voor bij prostaat-, borst- en longkanker. Multipel myeloom (een vorm van kanker waarbij het beenmerg is betrokken), ook wel de ‘ziekte van Kahler' genoemd, kan eveneens leiden tot de vernietiging van botweefsel en hypercalciëmie tot gevolg hebben. Andere tumoren kunnen de calciumspiegel verhogen door nog niet volledig opgehelderde mechanismen.

Aandoeningen waarbij bot wordt afgebroken (geresorbeerd) of vernietigd, waardoor calcium wordt afgegeven, kunnen ook leiden tot hypercalciëmie. Bij de ziekte van Paget wordt bot afgebroken, maar blijft de calciumspiegel gewoonlijk normaal. De calciumspiegel kan echter te hoog worden als mensen met deze aandoening uitdrogen of te lang zitten of liggen, waarbij de botten geen gewicht dragen. In zeldzame gevallen kan er bij andere mensen die zich niet kunnen bewegen, zoals paraplegiepatiënten (verlamming van beide benen), quadriplegiepatiënten (verlamming van alle ledematen) of mensen die langdurig bedrust nodig hebben, hypercalciëmie optreden. Dit komt doordat calcium uit bot wordt afgegeven in het bloed wanneer de botten gedurende lange tijd geen gewicht dragen. De nieren trachten het uit de botten gemobiliseerde calcium uit te scheiden hetgeen kan leiden tot nierstenen.

Hypercalciëmie veroorzaakt vaak geen symptomen. De eerste symptomen zijn gewoonlijk obstipatie, misselijkheid, braken, buikpijn, verminderde eetlust en abnormaal grote hoeveelheden urine. Zeer ernstige hypercalciëmie leidt vaak tot hersenstoornissen met verwardheid, emotionele stoornissen, delirium, hallucinaties en coma. Er kan spierzwakte optreden, mogelijk gevolgd door hartritmestoornissen en overlijden. Bij chronische hypercalciëmie kunnen er calciumhoudende nierstenen ontstaan.

Hypercalciëmie wordt gewoonlijk vastgesteld bij routinebloedonderzoek.

Als de hypercalciëmie niet ernstig is, volstaat het vaak om de oorzaak weg te nemen. Mensen met een normale nierfunctie en bij wie gemakkelijk hypercalciëmie optreedt, krijgen gewoonlijk het advies om veel te drinken. Hierdoor zullen de nieren calcium uitscheiden en wordt uitdroging voorkomen.

Als de calciumspiegel zeer hoog is of als er symptomen van hersenstoornissen of spierzwakte ontstaan, worden intraveneus vocht en vochtafdrijvende middelen toegediend zolang de nierfunctie normaal is. Dialyse is een hoogst effectieve, veilige en betrouwbare behandeling, maar wordt gewoonlijk alleen toegepast wanneer ernstige hypercalciëmie niet met andere methoden kan worden behandeld.

Verschillende andere geneesmiddelen (waaronder plicamycine, galliumnitraat, calcitonine Handelsnaam
Calcitonine
, bisfosfonaten en corticosteroïden) kunnen worden gebruikt ter behandeling van hypercalciëmie. Het belangrijkste effect van deze geneesmiddelen is dat ze de afgifte van calcium uit het bot vertragen.

Hypercalciëmie als gevolg van kanker is bijzonder moeilijk te behandelen. Als de kanker niet afdoende kan worden behandeld, komt de hypercalciëmie ondanks de beste behandeling meestal terug.

Wat is hyperparathyreoïdie?

De bijschildklieren geven bijschildklierhormoon af, dat de opname van calcium uit het spijsverteringskanaal verhoogt en ervoor zorgt dat de botten opgeslagen calcium afgeven. Als de bijschildklieren te veel bijschildklierhormoon afgeven, treedt hyperparathyreoïdie op. Mensen met hyperparathyreoïdie hebben te veel calcium en een normale of lage fosfaatspiegel. Bijschildklierhormoon zorgt ervoor dat de nieren meer fosfaat uitscheiden, maar het zorgt er ook voor dat de botten fosfaat aan het bloed afgeven. Het evenwicht tussen deze twee effecten bepaalt of de fosfaatspiegel normaal blijft of daalt.

Primaire hyperparathyreoïdie treedt op wanneer er als gevolg van een afwijking te veel bijschildklierhormoon wordt afgegeven. Bij ongeveer 90% van de mensen met primaire hyperparathyreoïdie bestaat deze afwijking uit een goedaardig gezwel (adenoom) in een van de bijschildklieren. Bij de overige 10% zijn meerdere klieren eenvoudig vergroot (hyperplasie) en produceren ze te veel hormoon. In zeldzame gevallen veroorzaken kwaadaardige bijschildkliertumoren (carcinomen) hyperparathyreoïdie.

Primaire hyperparathyreoïdie komt vaker bij vrouwen dan bij mannen voor. De aandoening komt vaker voor bij ouderen en bij personen bij wie de hals bestraald is. Soms maakt de aandoening deel uit van multipele endocriene neoplasie, een zeldzame erfelijke aandoening.

Secundaire hyperparathyreoïdie treedt op wanneer er te veel bijschildklierhormoon wordt afgegeven als reactie op een ernstige daling van de calciumspiegel. Chronische nieraandoeningen en vitamine-D-gebrek leiden bijvoorbeeld tot een ernstige daling van de calciumspiegel en zijn daardoor oorzaken van secondaire hyperparathyreoïdie.

Primaire hyperparathyreoïdie wordt meestal behandeld door operatieve verwijdering van een of meer bijschildklieren. Bij deze operatie wordt getracht al het bijschildklierweefsel dat te veel hormoon produceert, te verwijderen. De ingreep slaagt in bijna 90% van de gevallen. De behandeling van secondaire hyperparathyreoïdie hangt af van de oorzaak.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Introductie

Volgende: Fluoride

Illustraties
Tabellen
Disclaimer