MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Chronische meningitis

Chronische meningitis is een ontsteking van de hersenvliezen die een maand of langer aanhoudt.

Chronische meningitis komt voor bij mensen met een immuunstoornis als gevolg van aids, kanker, chemotherapie of langdurig gebruik van het corticosteroïde prednison Handelsnaam
Prednison
. Door tuberculose, de ziekte van Lyme of een andere infectie kan ook bij mensen met een goed functionerend immuunsysteem chronische meningitis ontstaan.

Het onderscheid tussen acute en chronische meningitis is niet altijd duidelijk. Soms wordt de meningitis dan ook omschreven als ‘subacuut'.

Oorzaken

Sommige infectieuze organismen dringen de hersenen of de hersenvliezen binnen en vermeerderen zich langzaam in de loop van weken, maanden of zelfs jaren. Tot deze organismen behoren onder andere de schimmel Cryptococcus (bij mensen met een verminderde afweer, zoals aidspatiënten) en de bacteriën die tuberculose, syfilis of de ziekte van Lyme veroorzaken. Acute bacteriële meningitis die onvoldoende met antibiotica is behandeld en dus niet is genezen, kan overgaan in chronische meningitis.

Sommige niet-infectieuze aandoeningen als sarcoïdose en bepaalde soorten kanker (leukemie, lymfoom, hersentumoren en metastasen in de hersenen) kunnen in de hersenvliezen binnendringen, deze prikkelen en zo chronische meningitis veroorzaken. Chemotherapeutische middelen die direct in de ruggenmergvloeistof worden geïnjecteerd (zoals methotrexaat Handelsnaam
Emthexate
Ledertrexate
), geneesmiddelen die worden gebruikt bij orgaantransplantatie (zoals ciclosporine Handelsnaam
Sandimmune
Neoral
en OKT3) en zelfs niet-steroïde anti-inflammatoire preparaten (NSAID's als ibuprofen Handelsnaam
Advil
Actifen
Brufen
Femapirin
Relian
(zie Pijn: Niet-steroïde anti-inflammatoire preparaten (NSAID's))) kunnen in de hersenvliezen een ontsteking veroorzaken die tot chronische meningitis leidt.

Symptomen en diagnose

De symptomen van chronische meningitis lijken op die van acute bacteriële meningitis, maar ze ontwikkelen zich langzamer, meestal gedurende weken in plaats van dagen. De koorts is vaak minder hoog dan bij patiënten met acute bacteriële meningitis. Hoofdpijn, verwardheid en rugpijn komen vaak voor. Zwakte, tintelingen, een doof gevoel en verlamming in het aangezicht komen ook algemeen voor en duiden op een aantasting van de hersenzenuwen of perifere zenuwen.

Computertomografie (CT) of magnetische kernspinresonantie (MRI) van het hoofd, gevolgd door een lumbaalpunctie en onderzoek van de ruggenmergvloeistof, kunnen bij de diagnose helpen. Bij chronische meningitis als gevolg van een bacteriële infectie is het aantal witte bloedcellen in de vloeistof hoger dan normaal, maar meestal lager dan bij acute bacteriële meningitis. Het type witte bloedcellen verschilt ook: lymfocyten in plaats van neutrofiele granulocyten (zie Afwijkingen van de witte bloedcellen: Neutropenie). Sommige infectieuze organismen die chronische meningitis veroorzaken (zoals de schimmel Cryptococcus) zijn gemakkelijk zichtbaar onder een microscoop, maar veel andere, zoals de bacterie die tuberculose veroorzaakt, zijn dat niet.

De ruggenmergvloeistof wordt altijd op kweek gezet, zodat eventueel aanwezige organismen kunnen worden geïdentificeerd. Een kweek kan echter weken in beslag nemen. De vloeistof kan op de bacteriën die tuberculose en syfilis veroorzaken en op bepaalde schimmels en virussen worden onderzocht. Om tuberculosebacteriën te identificeren, wordt onder andere de techniek van de polymerasekettingreactie (polymerase chain reaction, PCR) toegepast, waarbij DNA kopieën van zichzelf maakt. De resultaten van dit onderzoek kunnen eerder beschikbaar zijn dan die van kweken.

Behandeling

Chronische meningitis als gevolg van sarcoïdose, dat als een niet-infectieuze ziekte wordt beschouwd, wordt meestal gedurende enkele weken met een corticosteroïd als prednison Handelsnaam
Prednison
behandeld. Chronische meningitis als gevolg van kanker wordt met chemotherapie, bestraling of beide behandeld. De chemotherapeutische middelen worden rechtstreeks in de ruggenmergvloeistof geïnjecteerd via een Ommaya-reservoir. Dit reservoir wordt onder de hoofdhuid geïmplanteerd en geeft het geneesmiddel door een klein buisje langzaam (gedurende dagen tot weken) af aan de ruimten rond de hersenen.

De behandeling van chronische meningitis als gevolg van een infectie is afhankelijk van het verantwoordelijke organisme. Chronische meningitis als gevolg van een schimmel wordt doorgaans met intraveneus toegediende fungiciden (middelen tegen schimmels) behandeld. Meestal worden hiervoor amfotericine B Handelsnaam
Fungizone
Amphocil
Ambisome
, flucytosine Handelsnaam
Ancotil
en fluconazol Handelsnaam
Diflucan
Fungata
gebruikt. Wanneer de infectie bijzonder moeilijk te bestrijden is, wordt amfotericine B Handelsnaam
Fungizone
Amphocil
Ambisome
soms rechtstreeks geïnjecteerd in de ruggenmergvloeistof, ofwel door middel van herhaalde lumbaalpuncties ofwel via een Ommaya-reservoir. Wanneer chronische meningitis door de schimmel Cryptococcus wordt veroorzaakt, wordt amfotericine B Handelsnaam
Fungizone
Amphocil
Ambisome
meestal gecombineerd met flucytosine Handelsnaam
Ancotil
.

Enkele infecties die meningitis kunnen veroorzaken

  • bacteriële infecties
    • brucellose
    • infectie met Escherichia coli
    • infectie met Klebsiella
    • infectie met Listeria
    • infectie met Listeria monocytogenes
    • infectie met Neisseria meningitidis
    • infectie met Streptococcus pneumonia
    • kattenkrabziekte (lymphoreticulosis benigna)
    • leptospirose
    • lymphogranuloma venereum
    • mycoplasmapneumonie
    • syfilis
    • tuberculose
    • ziekte van Lyme
    • ziekte van Whipple
  • virusinfecties
    • aids
    • bof
    • eastern en westerse equine encefalitis
    • herpes
    • infectie met het coxsackievirus
    • infectie met het cytomegalovirus

    • infectie met het ECHO-virus
    • lymfocytaire choriomeningitis
    • mononucleosis infectiosa
    • polio
    • St. Louis-encefalitis
    • waterpokken (varicella)
  • virusinfecties die meningitis veroorzaken door een immuunreactie
    • mazelen
    • rodehond (rubella)
    • waterpokken
  • andere infecties
    • amoebiasis
    • coccidioïdomycose
    • cryptokokkose
    • cysticercose
    • draaiziekte
    • echinokokkose
    • malaria
    • rickettsiose
    • schistosomiasis
    • toxoplasmose
    • trichinose

Enkele niet-infectieuze oorzaken van meningitis

  • hersenaandoeningen
    • cerebrovasculair accident (CVA)
    • hersentumoren
    • leukemie
    • lymfoom
    • multipele sclerose
    • sarcoïdose
  • geneesmiddelen
    • azathioprine
    • carbamazepine
    • immunosuppressiva, zoals ciclosporine en muromonab-CD3
    • niet-steroïde anti-inflammatoire preparaten (NSAID's), zoals ibuprofen en naproxen
    • trimethoprim-sulfamethoxazol (co‑trimoxazol)
  • vergiftiging
    • loodvergiftiging
  • reacties op stoffen die in de wervelkolom worden geïnjecteerd
    • antibiotica
    • chemotherapie
    • kleurstoffen gebruikt bij beeldvormende technieken
  • reacties op vaccins
    • hondsdolheidvaccin
    • kinkhoestvaccin

Wat is aseptische meningitis?

‘Aseptisch' is de term die door de arts wordt gebruikt (onder meer om meningitis te beschrijven) wanneer er bij routineonderzoek geen bacteriën worden gevonden. Aseptische meningitis kan worden veroorzaakt door niet-infectieuze aandoeningen als leukemie, lymfoom of een hersentumor, maar ook door het gebruik van bepaalde geneesmiddelen. Voorbeelden hiervan zijn chemotherapeutische middelen die direct in het hersenvocht worden geïnjecteerd, geneesmiddelen om afstoting van getransplanteerde organen tegen te gaan (immunosuppressiva) en zelfs niet-steroïde anti-inflammatoire preparaten (NSAID's). In de meeste gevallen is een virus echter de oorzaak. De arts gebruikt daarom vaak aseptische meningitis en virale meningitis als synoniemen.

Aseptische meningitis kan kort (acuut) of langdurig (chronisch) optreden. Meestal is het een lichte aandoening, die geen behandeling behoeft. In zeldzame gevallen kan het een ernstige en levensbedreigende aandoening zijn.

Virusinfecties

Virusinfecties kunnen een ontsteking van de hersenvliezen (virale meningitis), van de hersenen (virale encefalitis), van het ruggenmerg (myelitis) of van de spinale zenuwwortels (radiculitis) veroorzaken. Virale hersenontsteking (encefalitis) gaat vaak met virale hersenvliesontsteking (meningitis) gepaard. Virale hersenontsteking is ernstiger omdat dit rechtstreeks de hersenen aantast en niet zozeer de hersenvliezen.

Sommige virussen kunnen rechtstreeks de hersenen infecteren en plotseling hersenontsteking veroorzaken. Infecties door sommige virussen, zoals het ECHO-virus of het coxsackievirus, kunnen epidemisch optreden. Andere infecties (zoals herpes, bof en waterpokken) treden geïsoleerd (sporadisch) op. Hersenontsteking als gevolg van hondsdolheid (rabiës) is dodelijk en is het gevolg van een beet door een dier (zoals een vleermuis). Hersenontstekingen door infecties met het arbovirus worden door muggen, teken of andere geleedpotigen verspreid. Andere virusinfecties, zoals lymfocytaire choriomeningitis, worden door knaagdieren verspreid. Het humaan-immunodeficiëntievirus (HIV) veroorzaakt een chronische infectie van de hersenen zonder de ontsteking die bij acute hersenontsteking optreedt. Deze aandoening wordt ‘HIV-encefalopathie' of ‘aidsdementie' genoemd.

Sommige virussen infecteren de hersenen niet direct, maar wekken immuunreacties op die indirect een ontsteking in de hersenen veroorzaken. Dit type ontsteking, ‘para-infectieuze' of ‘postinfectieuze hersenontsteking' genaamd, kan volgen op mazelen, waterpokken of rodehond, meestal 5 tot 10 dagen later. De ontsteking kan ernstige schade veroorzaken. Ook het ruggenmerg kan worden aangetast, wat tot acute gedissemineerde encefalomyelitis leidt (zie Multipele sclerose en verwante aandoeningen: Andere primaire demyeliniserende ziekten).

In zeer zeldzame gevallen ontstaat een hersenontsteking weken, maanden of zelfs jaren na een virusinfectie. Een voorbeeld hiervan is subacute scleroserende panencefalitis, een hersenontsteking die soms op mazelen volgt. Deze aandoening komt het meest bij kinderen voor. (zie Virusinfecties: Subacute scleroserende panencefalitis)

Symptomen

Sommige virusinfecties zijn licht, veroorzaken koorts en een algeheel gevoel van ziekte (malaise), vaak zonder specifieke symptomen. Meestal treden bij virale hersenvliesontsteking symptomen op die vergelijkbaar zijn met die van bacteriële hersenvliesontsteking (koorts, hoofdpijn, braken, zwakte en nekstijfheid), maar veel minder ernstig.

Virale hersenontsteking kan persoonlijkheidsveranderingen veroorzaken, epileptische aanvallen, verlamming van de ledematen, verwardheid en slaperigheid die in coma kan overgaan en tot de dood kan leiden. Hersenontsteking veroorzaakt door het herpes-simplex-virus (herpes-simplex-encefalitis) is een te behandelen, maar potentieel fatale infectie. In de vroegste stadia veroorzaakt de aandoening hoofdpijn, koorts en griepachtige symptomen. De aandoening veroorzaakt ook symptomen die op een ontsteking van de slaapbeenkwabben duiden. Deze symptomen zijn onder meer epileptische aanvallen die meestal met vreemde geuren gepaard gaan, levendige flashbacks of plotselinge intense emoties. Wanneer deze infectie zich verder ontwikkelt, ontstaat er ernstige hersenbeschadiging die tot verwardheid, herhaalde epileptische aanvallen of coma leidt.

Wanneer het ruggenmerg door een virusinfectie wordt aangetast, kan rugpijn op de plaats van de infectie het eerste symptoom zijn. Afhankelijk van de hoogte waarop het ruggenmerg wordt aangetast (zie Ruggenmergaandoeningen:Letsel als gevolg van een ongelukIllustraties), kunnen de gedeelten van het lichaam onder dat niveau gevoelloos en zwak zijn. Controle over blaas en darmen kan zijn aangetast. Bij een ernstige infectie kan de patiënt alle gevoel kwijt zijn, verlamd raken en de controle over blaas en darmen helemaal verliezen.

Diagnose

In eerste instantie kan het voor de arts moeilijk zijn virale hersenvliesontsteking en hersenontsteking te onderscheiden van bacteriële hersenvliesontsteking, van abcessen in de hersenen en van andere aandoeningen met vergelijkbare symptomen. Bij de eerste aanwijzing voor een van deze aandoeningen zal de arts proberen de oorzaak nauwkeurig vast te stellen. Er wordt vrijwel altijd een lumbaalpunctie uitgevoerd voor onderzoek van de ruggenmergvloeistof. Bij virusinfecties is het aantal witte bloedcellen in de ruggenmergvloeistof verhoogd en worden er geen bacteriën waargenomen. Er zijn geen rode bloedcellen aanwezig, behalve bij ernstige ontstekingen. Er kan ook immunologisch onderzoek worden verricht om antilichamen tegen virussen in monsters van de ruggenmergvloeistof op te sporen, maar dit onderzoek duurt dagen. Zelfs met een dergelijk onderzoek wordt slechts in minder dan de helft van de gevallen een specifiek micro-organisme geïdentificeerd. Het op kweek zetten van de meeste virussen uit de vloeistof is moeilijk en duurt enkele dagen. Dit wordt dan ook zelden gedaan. De techniek van de polymerasekettingreactie (polymerase chain reaction; PCR) wordt toegepast om organismen als het herpesvirus te identificeren.

De arts vermoedt herpes-simplex-encefalitis wanneer er geen sprake is van een epidemie en wanneer de symptomen op een ontsteking van de slaapbeenkwabben duiden. Een MRI-scan kan een toegenomen zwelling in de slaapbeenkwabben aan het licht brengen, wat een snelle diagnose vergemakkelijkt. Computertomografie is minder zinvol omdat hiermee de veranderingen meestal pas kunnen worden vastgesteld nadat er al ernstige schade is aangericht. Wanneer herpes-simplex-encefalitis ernstig is (zoals uiteindelijk het geval wordt), bevat de ruggenmergvloeistof veel rode bloedcellen. Soms is er een biopsie van hersenweefsel nodig (waarbij een weefselmonster voor microscopisch onderzoek wordt afgenomen) om te bepalen of het herpes-simplex-virus de oorzaak is.

CT of MRI wordt ook uitgevoerd om aandoeningen uit te sluiten die vergelijkbare symptomen kunnen veroorzaken: een hersenabces, een CVA (cerebrovasculair accident, ‘beroerte') of een andere structurele aandoening, zoals een hematoom, aneurysma of tumor.

Behandeling en prognose

Als een virusinfectie slechts hoofdpijn en koorts veroorzaakt, bestaat de behandeling gewoonlijk alleen uit oraal toegediende paracetamol en vocht, dat oraal of intraveneus wordt toegediend. Virale hersenvliesontsteking en veel gevallen van lichte virale hersenontsteking gaan vaak vanzelf over en hebben geen speciale behandeling nodig.

Bij sommige ernstige virusinfecties zijn bepaalde antivirale geneesmiddelen effectief. Bij mensen met herpes-simplex-encefalitis is onmiddellijke behandeling met het antivirale middel aciclovir Handelsnaam
Zovirax
Previum
levensreddend. Als er onzekerheid over de diagnose bestaat, wordt er meestal aciclovir Handelsnaam
Zovirax
Previum
gegeven omdat in één op de drie gevallen van hersenontsteking het herpes-simplex-virus de oorzaak is. Aciclovir Handelsnaam
Zovirax
Previum
is effectief tegen de virussen herpes simplex en herpes zoster, maar niet tegen de meeste andere virussen. Ganciclovir Handelsnaam
Cymevene
is effectief tegen cytomegalovirus. Er bestaat geen specifieke behandeling voor andere infecties. De behandeling bestaat uit verlichting van de symptomen en wanneer nodig ondersteuning van de vitale functies.

Bij een HIV-infectie gaat het immuunsysteem beter functioneren door een combinatie van geneesmiddelen (zie Infectie met het humaan-immunodeficiëntievirus (HIV):IntroductieTabellen) en worden de progressie van de infectie en de complicaties ervan (waaronder dementie) vertraagd.

Veel patiënten herstellen volledig. De kans op overleving en herstel zijn grotendeels afhankelijk van het type virus en hoe snel de behandeling, indien beschikbaar, wordt ingezet. Zo moet voor een goed herstel bij patiënten met hersenontsteking als gevolg van het herpes-simplex-virus de behandeling met aciclovir Handelsnaam
Zovirax
Previum
worden gestart voordat de patiënt in coma raakt. Bij zuigelingen is het risico van blijvende schade groter.

Hondsdolheid (rabiës)

Hondsdolheid (rabiës) is een virusinfectie van de hersenen die wordt overgebracht door dieren en die ontsteking van de hersenen en het ruggenmerg veroorzaakt.

Meestal heeft hondsdolheid uiteindelijk een dodelijke afloop zodra het hondsdolheidvirus het ruggenmerg en de hersenen heeft kunnen bereiken, maar dat duurt minstens 10 dagen (meestal 30 tot 50 dagen), afhankelijk van de plek waar iemand is gebeten. In de tussentijd kunnen er maatregelen worden genomen om het virus uit te roeien en overlijden te helpen voorkomen.

Veel soorten wilde dieren en huisdieren over bijna de gehele wereld zijn drager van het hondsdolheidvirus. Dieren met hondsdolheid kunnen verscheidene weken ziek zijn voordat ze sterven. In deze periode verspreiden ze vaak de ziekte.

Het hondsdolheidvirus is aanwezig in het speeksel en wordt door een besmet dier overgebracht op een ander dier of op een mens via een beet en in zeer zeldzame gevallen door likken. Het virus kan niet door de intacte huid dringen en kan het lichaam alleen binnenkomen door een wondje of een andere beschadiging van de huid. In de Verenigde Staten zijn bijna alle bekende gevallen van hondsdolheid bij mensen overgebracht door vleermuizen, zonder dat er sprake was van een beet, wat erop duidt dat het virus waarschijnlijk werd ingeademd.

Het virus verplaatst zich van de plaats waar het in het lichaam is binnengekomen via de zenuwen naar het ruggenmerg en vervolgens naar de hersenen, waar het zich vermeerdert. Vandaar verplaatst het virus zich via andere zenuwen naar de speekselklieren en komt zo in het speeksel terecht.

Hondsdolheid kan door veel verschillende dieren, zoals katten, vleermuizen, wasberen, stinkdieren, vossen en (vooral) honden, op mensen worden overgedragen. Knaagdieren als muizen, ratten, hamsters en eekhoorns of konijnen of hazen raken zelden met hondsdolheid besmet. In de Verenigde Staten zijn geen gevallen bekend waarbij via deze dieren hondsdolheid op mensen is overgebracht. Vogels en reptielen krijgen geen hondsdolheid. Hondsdolheid bij honden is in Nederland grotendeels uitgeroeid dankzij vaccinatie. Gedurende de afgelopen 30 jaar zijn de meeste gevallen van besmetting van mensen met hondsdolheid door zieke wilde dieren veroorzaakt. In de meeste landen van Latijns-Amerika, Afrika en Azië, waar honden niet op grote schaal worden gevaccineerd, komt hondsdolheid bij honden echter nog tamelijk vaak voor.

Hondsdolheid kent twee varianten: rabies furiosa en rabies paralytica. Bij rabies furiosa is het dier geagiteerd en gevaarlijk; later raakt het verlamd en sterft. Bij rabies paralytica is het dier vanaf het begin geheel of gedeeltelijk verlamd. Wilde dieren met rabies furiosa lijken meestal echter niet zo gevaarlijk. De veranderingen in hun gedrag zijn subtieler. Zo kunnen nachtdieren, zoals vleermuizen, stinkdieren, wasberen en vossen, overdag tevoorschijn komen zonder hun normale schuwheid voor mensen te vertonen.

Symptomen

De symptomen beginnen wanneer het hondsdolheidvirus de hersenen of het ruggenmerg bereikt, meestal 30 tot 50 dagen nadat iemand is gebeten. Deze periode kan echter variëren van 10 dagen tot meer dan een jaar. De symptomen zullen sneller optreden naarmate de beet dichter bij de hersenen plaatsvond.

De ziekte begint vaak met een korte periode van depressie, rusteloosheid, een algeheel gevoel van ziekte (malaise) en koorts. Bij 20% van de patiënten begint hondsdolheid echter met verlamming in de onderbenen die door het lichaam opstijgt. De rusteloosheid neemt toe tot een niet te beheersen opwinding en de speekselproductie neemt sterk toe. Door de ziekte wordt het gebied in de hersenen aangetast dat voor slikken en ademhalen verantwoordelijk is. Hierdoor treden spierspasmen in de keel en het strottenhoofd op. De spasmen kunnen ondraaglijke pijn veroorzaken. Ze kunnen door een licht briesje of door een poging om water te drinken worden opgewekt. Iemand met hondsdolheid kan daardoor niet drinken en daarom wordt de ziekte soms ‘hydrofobie' (watervrees) genoemd.

Naarmate de ziekte zich door de hersenen verspreidt, wordt de patiënt steeds verwarder en zeer geagiteerd. Dit leidt uiteindelijk tot coma en overlijden. De doodsoorzaak kan een afsluiting van de luchtwegen, epileptische aanvallen, uitputting of wijdverbreide verlamming zijn.

Diagnose

Wanneer iemand door een wild dier wordt gebeten of door een huisdier dat ziek lijkt, is hondsdolheid de grootste zorg. Er bestaat geen test om direct na de beet te bepalen of het hondsdolheidvirus is overgebracht. Daarom wordt het dier onderzocht om te bepalen of het slachtoffer moet worden behandeld. Als het om een wild dier gaat, wordt het zo mogelijk afgeschoten; een huisdier dat ziek lijkt, wordt door de dierenarts afgemaakt zodat de hersenen op aanwijzingen voor hondsdolheid kunnen worden onderzocht. Bepaalde huisdieren (honden, katten en fretten) die niet ziek lijken, kunnen door een dierenarts worden opgesloten en gedurende 10 tot 14 dagen worden geobserveerd. Als het huisdier gezond blijft, had het op het moment van de beet geen hondsdolheid. Voor andere huisdieren die gezond lijken, moet een dierenarts of de GGD worden geraadpleegd.

Als iemand die door een dier is gebeten, steeds verwarder en steeds drukker wordt of verlamd raakt, is de diagnose waarschijnlijk ‘hondsdolheid'. In deze fase kan het hondsdolheidvirus worden vastgesteld. Er wordt een huidbiopsie uitgevoerd, waarbij een monster van de huid (gewoonlijk van de nek) wordt afgenomen om het virus via microscopisch onderzoek op te sporen.

Preventie en behandeling

De eerste preventieve stap is ervoor zorgen niet te worden gebeten door dieren, in het bijzonder niet door wilde dieren. Men kan het beste afstand houden van onbekende huisdieren en van wilde dieren. Een wild dier dat niet bang lijkt voor mensen, is meestal ziek. Een dier dat ziek lijkt, moet niet worden opgepakt om het te helpen. Een ziek dier bijt namelijk vaak van zich af.

Mensen met een verhoogd risico van blootstelling aan het virus moeten van tevoren worden gevaccineerd met het hondsdolheidvaccin. Het betreft dan bijvoorbeeld dierenartsen, laboratoriummedewerkers die werken met mogelijk besmette dieren, mensen die wonen of langer dan 30 dagen verblijven in een ontwikkelingsland waar hondsdolheid bij honden veel voorkomt en mensen die vleermuisgrotten onderzoeken. Door vaccinatie zijn de meeste mensen voor de rest van hun leven in enige mate beschermd. De bescherming neemt echter na verloop van tijd af. Daarom moeten mensen met een aanhoudend hoog risico van blootstelling elke 2 jaar een zogeheten ‘boosterdosis' van het vaccin krijgen.

Als iemand door een hondsdol dier wordt gebeten, kan hondsdolheid doorgaans worden voorkomen als er onmiddellijk afdoende maatregelen worden genomen.

De beetwond wordt meteen behandeld en grondig met water en zeep uitgewassen. Diepe doorborende wonden worden met zeepwater uitgespoeld. Soms snijdt de arts weefsel van de wondranden weg.

Mensen die niet eerder met het hondsdolheidvaccin zijn gevaccineerd, krijgen een injectie met hondsdolheidimmuunglobuline, afhankelijk van de toestand van het dier. Hondsdolheidimmuunglobuline bestaat uit antilichamen tegen het virus en geeft onmiddellijke, maar slechts kortdurende bescherming. Er worden eerst verscheidene injecties met hondsdolheidimmuunglobuline gegeven (dag 0), gevolgd door injecties met het hondsdolheidvaccin op dag 3, 7, 14 en 28. Het hondsdolheidvaccin zet het lichaam aan tot de aanmaak van antilichamen tegen het virus. De bescherming die dit geeft, wordt langzamer opgebouwd, maar houdt veel langer aan dan de bescherming door hondsdolheidimmuunglobuline. Pijn en zwelling op de plaats van injectie zijn meestal gering. Ernstige allergische reacties doen zich zelden voor.

Als een reeds gevaccineerde persoon wordt gebeten, is het risico dat hij hondsdolheid ontwikkelt kleiner. De wond moet echter wel onmiddellijk worden schoongemaakt en er wordt meteen en op dag 3 een injectie met hondsdolheidvaccin gegeven.

Als iemand al symptomen heeft ontwikkeld, helpen het hondsdolheidvaccin en hondsdolheidimmuunglobuline niet. De behandeling is dan gericht op verlichting van symptomen en op het zoveel mogelijk beperken van het lijden. De aandoening leidt dan vrijwel altijd tot de dood.

Wanneer vaccineren tegen hondsdolheid?

De beslissing om het hondsdolheidvaccin toe te dienen aan iemand die door een dier is gebeten, hangt af van de diersoort en de toestand van het betreffende dier.

Bij een beet van huisdieren als een hond, een kat of een fret:

Als het dier gezond lijkt en 10 dagen lang kan worden geobserveerd, wordt het vaccin niet gegeven tenzij bij het dier symptomen van hondsdolheid ontstaan. Als het dier een symptoom ontwikkelt dat maar enigszins op hondsdolheid lijkt, wordt het vaccin onmiddellijk toegediend. Dieren die symptomen van hondsdolheid vertonen, worden afgemaakt waarna de hersenen worden onderzocht op het hondsdolheidvirus.

Als een van deze dieren hondsdolheid heeft of lijkt te hebben, krijgt iemand na een beet onmiddellijk het vaccin toegediend.

Als de gezondheidstoestand van het dier niet kan worden vastgesteld omdat het dier bijvoorbeeld is ontsnapt, wordt overlegd met de GGD om te bepalen hoe waarschijnlijk het is dat het dier hondsdolheid heeft en of het vaccin moet worden toegediend.

Bij een beet van stinkdieren, wasberen, vossen, de meeste andere vleesetende dieren of door vleermuizen:

Van deze dieren wordt aangenomen dat ze hondsdol zijn, tenzij ze kunnen worden onderzocht en de testresultaten negatief zijn. Doorgaans wordt na een beet het vaccin onmiddellijk toegediend. Het wordt niet aangeraden om wilde dieren 10 dagen in observatie te nemen.

Bij een beet door vee, kleine knaagdieren, grote knaagdieren (zoals bosmarmotten en bevers), konijnen of hazen:

Elk bijtincident wordt apart beoordeeld en de GGD wordt ingeschakeld. Mensen die zijn gebeten door eekhoorns, hamsters, cavia's, woestijnratten, grondeekhoorns, ratten, muizen, andere kleine knaagdieren, konijnen of hazen hoeven bijna nooit te worden gevaccineerd.

Hersenontsteking door het arbovirus

Arbovirusencefalitis is een ernstige ontsteking van de hersenen die wordt veroorzaakt door één van een groep virussen die worden overgebracht door bepaalde geleedpotigen, zoals muggen en teken.

In de Verenigde Staten worden de meest voorkomende typen virale hersenontsteking door arbovirussen veroorzaakt. Arbovirussen worden op de mens overgebracht door de beet van muggen, teken of andere geleedpotigen (de term ‘arbovirus' is de afkorting van arthropod-borne virus.). De virussen worden op de geleedpotigen overgebracht wanneer ze geïnfecteerde dieren bijten. Veel soorten huisdieren en vogels zijn drager van deze virussen. Bij mensen doen zich alleen periodiek epidemieën voor, wanneer de muggenpopulatie of het aantal geïnfecteerde dieren toeneemt. De infectie gaat over van geleedpotige op de mens, niet van mens op mens.

Veel arbovirussen kunnen hersenontsteking veroorzaken. De verschillende typen hersenontsteking die door deze virussen worden veroorzaakt, worden meestal genoemd naar de plaats waar het virus werd ontdekt of naar de diersoort die de kenmerkende drager ervan is.

In de Verenigde Staten komen verscheidene typen hersenontsteking door het arbovirus voor. In Nederland komt dit sporadisch voor. Alle hieronder genoemde typen worden overgebracht door muggen. Westerse equine encefalitis (WEE) komt overal in de Verenigde Staten voor. De aandoening kan in alle leeftijdsgroepen voorkomen, maar vooral bij kinderen jonger dan 1 jaar. Oosterse equine encefalitis (Eastern equine encephalitis, EEE) komt voornamelijk in het oosten van de Verenigde Staten voor. Deze aandoening treft voornamelijk jonge kinderen en mensen ouder dan 55 jaar. Het oostelijke type heeft vaker een dodelijke afloop dan het westelijke. Beide typen veroorzaken vaak ernstige symptomen bij kinderen jonger dan 1 jaar en kunnen permanente zenuw- of hersenbeschadiging veroorzaken. St.-Louis-encefalitis komt overal in de Verenigde Staten voor, maar vooral in Texas en in sommige staten in het middenwesten. Ouderen lopen het grootste risico om aan deze infectie te overlijden. Verscheidene verwante virussen veroorzaken California-encefalitis, vooral bij kinderen. Tot deze groep behoren het California-virus (zeer algemeen in het westen van de Verenigde Staten), het La-Crosse-virus (zeer algemeen in het middenwesten) en het Jamestown-Canyon-virus (zeer algemeen in het gebied rond de Grote Meren in het noordoosten). West-Nijl-encefalitis kwam vroeger alleen voor in Europa en Afrika, maar dook in 1999 op in New York en omgeving. In 2000 werden er gevallen gemeld langs de oostkust, van Vermont tot North-Carolina. Verscheidene vogelsoorten zijn gastheer voor dit virus. Dit type hersenontsteking treft vooral ouderen. Ongeveer 1 op de 10 geïnfecteerde patiënten komt te overlijden.

In andere delen van de wereld wordt hersenontsteking veroorzaakt door andere, maar verwante arbovirussen. Voorbeelden daarvan zijn Venezolaanse equine encefalitis en Japanse encefalitis; beide worden overgebracht door muggen.

Symptomen en diagnose

Hersenontsteking veroorzaakt door de verschillende typen arbovirus veroorzaken vergelijkbare symptomen. Meestal zijn de eerste symptomen onder meer hoofdpijn, sufheid en koorts. Braken en een stijve nek komen minder vaak voor. De spieren kunnen gaan trillen. Verwardheid, epileptische aanvallen en coma kunnen zich snel ontwikkelen. Soms raken de armen en benen verzwakt of verlamd.

Het vermoeden van arbovirusencefalitis ontstaat op basis van de symptomen, vooral wanneer er aanwijzingen zijn dat zich een epidemie ontwikkelt. Om de diagnose te bevestigen neemt de arts een bloedmonster of een monster van de ruggenmergvloeistof om dit op antilichamen tegen het virus te onderzoeken. Dit gebeurt zowel tijdens de ziekteperiode als in de herstelfase. Als bij de test een duidelijke toename in de antilichaamspiegel wordt geconstateerd, is de diagnose bevestigd. Als alternatief kan de techniek van de polymerasekettingreactie (polymerase chain reaction, PCR) worden toegepast (hierbij maakt DNA kopieën van zichzelf) om het genetische materiaal van het virus op te sporen.

Preventie en behandeling

De beste manier om hersenontsteking te voorkomen is door de muggen te bestrijden die het virus verspreiden. Het nemen van voorzorgsmaatregelen tegen muggenbeten kan ook helpen: gebruik van insectenwerende middelen, dragen van een overhemd met lange mouwen en een lange broek en uit de buurt blijven van stilstaand water, waar muggen zich kunnen voortplanten. Er zijn geen vaccins beschikbaar tegen arbovirussen.

Er bestaat geen specifieke behandeling. Behandeling bestaat meestal uit verlichting van de symptomen en, wanneer nodig, ondersteuning van de vitale functies totdat na één tot twee weken de infectie afneemt.

Lymfocytaire choriomeningitis

Lymfocytaire choriomeningitis is een op griep lijkende ziekte die wordt veroorzaakt door een arenavirus, vaak gevolgd door meningitis.

Het arenavirus dat lymfocytaire choriomeningitis veroorzaakt, komt algemeen voor bij knaagdieren, vooral bij de huismuis en de hamster. Deze dieren zijn vaak voor de rest van hun leven met het virus geïnfecteerd en scheiden het uit in urine, ontlasting, sperma en neusafscheiding. Bij mensen wordt de aandoening meestal veroorzaakt door contact met stof of voedsel dat met deze uitscheidingsproducten is besmet. De ziekte komt doorgaans 's winters voor wanneer wilde knaagdieren binnenshuis een schuilplaats zoeken.

Symptomen

De aandoening treedt vaak op in twee fasen. Tijdens de eerste fase ontstaan 5 tot 10 dagen na blootstelling aan het virus griepachtige symptomen. De patiënten hebben vaak 38 tot 40 °C koorts, soms met beven. Andere symptomen zijn onder meer een algeheel gevoel van ziekte (malaise), misselijkheid, een licht gevoel in het hoofd, zwakte, spierpijn, hoofdpijn achter de ogen die door fel licht verergert en een slechte eetlust. Soms is er sprake van keelpijn en is het tastgevoel verminderd.

Na 5 dagen tot 3 weken kunnen de griepachtige verschijnselen gedurende 1 tot 2 dagen afnemen. Tijdens de tweede fase van de aandoening komen de symptomen terug en ontwikkelen zich ook andere symptomen, zoals pijnlijke en gezwollen vingergewrichten, ontsteking van de zaadballen, haaruitval en braken. Er kan zich meningitis ontwikkelen met hoofdpijn en nekstijfheid. De meeste mensen die meningitis krijgen, herstellen volledig. Soms ontwikkelt zich hersenontsteking met hoofdpijn en sufheid. In zeldzame gevallen blijven sommige symptomen bestaan door hersenbeschadiging als gevolg van hersenontsteking.

Diagnose en behandeling

In het begin kan de aandoening niet worden onderscheiden van griep en er wordt dan ook meestal geen onderzoek verricht. Als de symptomen op meningitis duiden, wordt een lumbaalpunctie uitgevoerd om een monster van de ruggenmergvloeistof af te nemen. In het geval van lymfocytaire choriomeningitis bevat de ruggenmergvloeistof meestal veel witte bloedcellen, voornamelijk lymfocyten. De aandoening wordt gediagnosticeerd door aantonen van het virus in de ruggenmergvloeistof of doordat steeds hogere spiegels van het antilichaam tegen het virus in het bloed worden gemeten.

Er bestaat geen specifieke behandeling. De arts probeert de symptomen te verlichten totdat de aandoening afneemt, in ongeveer 1 tot 2 weken.

Progressieve multifocale leuko-encefalopathie

Progressieve multifocale leuko-encefalopathie is een zeldzame infectie van de hersenen en het ruggenmerg die wordt veroorzaakt door het JC-virus.

De ziekte treft voornamelijk mensen met een verzwakte afweer, zoals bij leukemie, lymfoom of aids, of bij wie het afweersysteem wordt onderdrukt door geneesmiddelen die worden gebruikt om afstoting van getransplanteerde organen te voorkomen (immunosuppressiva) of auto-immuunziekten te behandelen. Ongeveer 4% van de aidspatiënten heeft deze ziekte.

Symptomen en diagnose

Veel met het JC-virus geïnfecteerde mensen vertonen geen duidelijke symptomen. Het JC-virus lijkt latent aanwezig te blijven tot het wordt gereactiveerd (bijvoorbeeld door een verzwakt afweersysteem) en zich begint te vermeerderen.

De symptomen variëren afhankelijk van het deel van de hersenen of het ruggenmerg dat is geïnfecteerd. De symptomen kunnen geleidelijk beginnen, maar verergeren meestal snel. Vaak is één lichaamshelft verlamd. Het maken van handbewegingen wordt al snel bemoeilijkt, waardoor schrijven en voorwerpen vastpakken problematisch wordt. Bij ongeveer 2 op de 3 mensen nemen de geestelijke vermogens snel af, wat tot dementie leidt. Praten verloopt steeds moeizamer en gedeeltelijke blindheid is kenmerkend. In zeldzame gevallen treden hoofdpijn en epileptische aanvallen op. Patiënten overlijden meestal binnen 1 tot 6 maanden na aanvang van de symptomen, maar sommigen overleven langer (tot ongeveer 2 jaar). Nog minder mensen knappen binnen een paar maanden op en hebben een overleving van maximaal 10 jaar.

Progressieve verslechtering bij mensen met een ernstig aangetast immuunsysteem duidt op deze aandoening. Met behulp van niet-invasieve procedures, zoals een CT- en een MRI-scan, kan de diagnose worden gesteld. De definitieve diagnose kan echter vaak pas worden bevestigd nadat de patiënt is overleden en het hersenweefsel kan worden onderzocht. Met de techniek van de polymerasekettingreactie (polymerase chain reaction, PCR), waarbij DNA kopieën van zichzelf maakt, kan bij 90% van de patiënten in de ruggenmergvloeistof het JC-virus worden aangetoond.

Behandeling

Bij progressieve multifocale leuko-encefalopathie is geen enkele behandeling succesvol gebleken. Maar een langere overlevingsduur kan worden bereikt door behandeling van de aandoening die verantwoordelijk is voor de aantasting van het immuunsysteem. Een dergelijke behandeling bestaat onder andere uit tripeltherapie (highly active antiretroviral therapy, HAART) met antivirale geneesmiddelen die worden gebruikt om aids te behandelen. Progressieve multifocale leuko-encefalopathie kan ook afnemen wanneer het gebruik van immunosuppressiva wordt stopgezet.

Tropische spastische paraparese

Tropische spastische paraparese is een geleidelijk verergerende virusinfectie van het ruggenmerg die zwakte van de benen veroorzaakt.

Tropische spastische paraparese (ook wel ‘HTLV-geassocieerde myelopathie' genoemd) tast zenuwbanen binnen het ruggenmerg aan. De myelineschede (die het deel van de zenuw omhult dat signalen doorgeeft) wordt beschadigd of vernietigd (gedemyeliniseerd). Deze aandoening wordt door een infectie met het humaan-T-celleukemievirus type I (HTLV-I) veroorzaakt. Dit virus, een retrovirus, kan ook een vorm van leukemie veroorzaken. Tropische spastische paraparese kan door seksueel contact of via besmette naalden worden overgedragen. De ziekte kan ook via de placenta of door borstvoeding van moeder op kind worden overgedragen.

De symptomen beginnen soms jaren na blootstelling aan het virus. De symptomen ontwikkelen zich wanneer het zenuwweefsel beschadigd raakt doordat het afweersysteem reageert op een infectie met HTLV-I. De spieren in beide benen worden geleidelijk zwak en stijf. Deze symptomen worden in de loop van een aantal jaren erger. Het gevoel in de voeten kan deels verloren gaan. Er zijn vaak plasproblemen, zoals frequente en sterke aandrang om te plassen en incontinentie. Ook de darmen kunnen minder goed werken.

Er bestaat geen genezing voor deze aandoening, maar bij patiënten die met corticosteroïden werden behandeld, is wel duidelijke verbetering opgetreden. Plasmaferese heeft ook tijdelijke verbetering gegeven.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Acute bacteriële meningitis

Volgende: Hersenabces

Illustraties
Tabellen
Disclaimer