MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Hersentumoren

Een hersentumor is een goedaardige (benigne) of kwaadaardige (maligne) celwoekering in de hersenen. De tumor kan in de hersenen zelf zijn ontstaan of een metastase (uitzaaiing) zijn van een kankergezwel elders in het lichaam.

Hersentumoren komen even vaak bij mannen als bij vrouwen voor, maar sommige typen komen vaker bij mannen en weer andere vaker bij vrouwen voor. Bij ouderen komen hersentumoren met het stijgen van de leeftijd met toenemende frequentie voor.

Een hersentumor kan primair of secundair zijn. Primaire hersentumoren ontstaan in de cellen binnen of naast de hersenen. Dergelijke tumoren kunnen goedaardig of kwaadaardig zijn. Secundaire hersentumoren zijn uitzaaiingen (metastasen) afkomstig uit een ander deel van het lichaam en zijn dus altijd kwaadaardig.

Goedaardige tumoren worden vernoemd naar de specifieke cellen of weefsels waarin ze ontstaan. Zo ontstaan hemangioblastomen in de bloedvaten (‘hem-' verwijst naar bloedvaten en hemangioblasten zijn de cellen die zich tot bloedvatweefsel ontwikkelen). Sommige goedaardige tumoren die in embryonale cellen ontstaan, kunnen al bij de geboorte aanwezig zijn.

Kwaadaardige hersentumoren zijn meestal metastasen van een kankergezwel dat elders in het lichaam is begonnen. Metastasen kunnen binnen één deel of in verschillende delen van de hersenen groeien. Er zijn veel vormen van kanker – waaronder borstkanker, longkanker, maag-darmkanker, kwaadaardige melanomen, leukemie en lymfoom – die naar de hersenen kunnen uitzaaien. Lymfomen van de hersenen komen veel voor bij aidspatiënten en komen de laatste tijd om onbekende redenen ook steeds vaker voor bij mensen met een normaal afweersysteem. Het meest voorkomende type primaire kwaadaardige hersentumor is een glioma.

Symptomen

Symptomen doen zich voor zowel bij goedaardige als bij kwaadaardige hersentumoren. Een hersentumor kan veel verschillende symptomen veroorzaken en de symptomen kunnen plotseling optreden of zich geleidelijk ontwikkelen. Welke symptomen zich het eerst voordoen en hoe ze zich ontwikkelen, hangt af van de grootte, groeisnelheid en plaats van de tumor. In sommige delen van de hersenen kan zelfs een kleine tumor desastreuze gevolgen hebben. In andere delen kan een tumor relatief groot worden voordat er symptomen optreden. In het begin wordt het zenuwweefsel door de tumor weggeduwd en uitgerekt, maar het kan deze veranderingen goed opvangen, dus in eerste instantie hoeven zich nog geen symptomen voor te doen. Symptomen treden op wanneer er hersenweefsel wordt vernietigd of de druk binnen de schedel (intracraniële druk) toeneemt, waardoor de hersenen worden samengedrukt. De druk kan toenemen, doordat de tumor groter wordt. Elke hersentumor kan uiteindelijk de druk binnen de schedel verhogen.

Wanneer de hersentumor een metastase is van een kankergezwel elders in het lichaam, kan de patiënt ook symptomen vertonen die verband houden met het oorspronkelijke gezwel. Zo kan een patiënt met een metastase van longkanker naast de symptomen van een hersentumor ook hoesten en daarbij bloederig slijm opgeven.

Hoofdpijn (zie Hoofdpijn: Introductie) is vaak het eerste symptoom, hoewel de meeste hoofdpijn niet door een hersentumor wordt veroorzaakt. Hoofdpijn als gevolg van een hersentumor treedt doorgaans steeds vaker op naarmate de tijd verstrijkt. Uiteindelijk houdt de hoofdpijn voortdurend aan zonder af te nemen. De pijn is vaak erger wanneer de patiënt gaat liggen en de patiënt kan erdoor wakker worden. Een geleidelijk groeiende tumor veroorzaakt een hoofdpijn die doorgaans erger is wanneer de patiënt net wakker wordt. Als hoofdpijn met deze kenmerken optreedt bij iemand die nooit eerder hoofdpijn heeft gehad, kan een hersentumor de oorzaak zijn.

Een hersentumor kan een persoonlijkheidsverandering veroorzaken. Iemand kan bijvoorbeeld teruggetrokken en humeurig worden en vaak niet meer efficiënt werken. De patiënt kan zich suf en verward voelen en niet tot nadenken in staat zijn. Dergelijke symptomen zijn vaak duidelijker voor familieleden en collega's dan voor de persoon zelf. Depressie en angst, vooral als een van beide plotseling ontstaat, kunnen een vroeg symptoom van een hersentumor zijn. Bizar gedrag is ongebruikelijk. Bij ouderen veroorzaken sommige hersentumoren symptomen die ten onrechte kunnen worden aangezien voor die van dementie (zie Delirium en dementie: Dementie). Andere veel voorkomende symptomen van een hersentumor zijn onder meer duizeligheid, evenwichtsverlies en coördinatiestoornissen. Later, naarmate de druk in de schedel toeneemt, kunnen misselijkheid, braken, lusteloosheid, slaperigheid, terugkerende koortsaanvallen en zelfs coma optreden. Sommige hersentumoren veroorzaken epileptische aanvallen.

Afhankelijk van welk hersengebied is aangedaan (zie Hersenfunctiestoornissen: Functiestoornissen per locatie), kan een tumor spierzwakte of verlamming in een arm of been of in één zijde van het lichaam veroorzaken en het vermogen aantasten om warmte, koude, druk, lichte aanraking en scherpe voorwerpen te voelen. De patiënt kan het vermogen om taal te gebruiken en te begrijpen verliezen. Tumoren kunnen ook het gehoor, de reukzin en het gezichtsvermogen aantasten (waardoor symptomen als dubbelzien en blindheid optreden). Een hypofysetumor kan bijvoorbeeld druk uitoefenen op de nabijgelegen oogzenuw (tweede hersenzenuw), die een rol speelt bij het gezichtsvermogen, en zo het perifere gezichtsveld aantasten. Als de tumor de hersenstam samendrukt, kunnen de hartslag en de ademhaling abnormaal snel of traag worden. Elk van deze symptomen wijst op een ernstige aandoening en vereist onmiddellijke medische behandeling.

Als een tumor de circulatie van de hersenvloeistof door de ruimten in de hersenen (hersenkamers of ventrikels) blokkeert, kan zich vloeistof ophopen waardoor de ruimten groter worden (een aandoening die ‘hydrocefalie' of ‘waterhoofd' wordt genoemd). De druk binnen de schedel neemt hierdoor toe. Naast andere symptomen die op verhoogde druk wijzen, heeft een waterhoofd tot gevolg dat de ogen moeilijk omhoog kunnen worden gedraaid. Bij zuigelingen wordt het hoofd groter.

Bij een sterk toegenomen druk binnen de schedel kunnen de hersenen omlaag worden geperst doordat de schedel niet kan uitzetten. Inklemming (zie Hoofdletsels:Intracraniële hematomenIllustraties) kan het gevolg zijn. Er zijn twee belangrijke vormen van inklemming. Bij een transtentoriële inklemming wordt het bovenste gedeelte van de hersenen (de grote hersenen) door de nauwe opening (incisura tentorii) in het relatief stugge weefsel geperst dat de grote hersenen scheidt van de lagere hersendelen (de kleine hersenen en de hersenstam). Bij patiënten met deze vorm van inklemming is het bewustzijn verlaagd. De zijde van het lichaam tegenover die waar de tumor ligt, kan verlamd zijn.

Bij een tonsillaire inklemming perst een tumor die in het onderste hersendeel is ontstaan, het onderste gedeelte van de kleine hersenen (de hersentonsillen) door een opening in de schedelbasis (het foramen magnum of achterhoofdsgat). De hersenstam, die de ademhaling, hartslag en bloeddruk reguleert, wordt hierdoor samengedrukt waardoor de functie verstoord raakt. Als een tonsillaire inklemming niet onmiddellijk wordt vastgesteld en behandeld, leidt deze toestand snel tot coma en overlijden.

Veelvoorkomende symptomen van enkele hersentumoren

astrocytomen en oligodendrogliomen

Sommige astrocytomen en oligodendrogliomen groeien langzaam en veroorzaken in het begin soms alleen epileptische aanvallen. Andere (anaplastische astrocytomen en anaplastische oligodendrogliomen) groeien snel en zijn kwaadaardig. Ze kunnen allerlei symptomen van gestoorde hersenfunctie veroorzaken. Het multiform glioblastoom, een bepaald type astrocytoom, groeit zo snel dat hierdoor de druk in de hersenen toeneemt, waardoor hoofdpijn, vertraagd denken en – als de druk voldoende hoog wordt – sufheid en uiteindelijk coma ontstaan.

De symptomen variëren afhankelijk van de plaats van de tumor. Tumoren in de frontale kwabben (achter het voorhoofd) kunnen spierzwakte en persoonlijkheidsveranderingen veroorzaken. Als ze zich ontwikkelen in de dominante frontale kwab (bij de meeste mensen de linker kwab en bij sommige linkshandigen de rechter kwab), kunnen ze spraakstoornissen veroorzaken. Tumoren in de wandbeenkwabben (gelegen achter de frontale kwabben) kunnen gevoelsverlies of -veranderingen veroorzaken. Soms gaat het gezichtsvermogen in het oog aan de tegenovergestelde kant van de tumor verloren. Tumoren in de slaapbeenkwabben (gelegen boven de oren) kunnen epileptische aanvallen veroorzaken en, als ze zich aan de dominante zijde ontwikkelen, het onvermogen taal te begrijpen en te gebruiken. Tumoren in de achterhoofdskwabben (meer naar de achterzijde van het hoofd) kunnen een gedeeltelijke blindheid in beide ogen veroorzaken.

Tumoren van of dichtbij de kleine hersenen (boven de nek),vooral medulloblastomen bij kinderen, kunnen veranderingen in de oogbewegingen, incoördinatie, een onzekere gang en soms gehoorverlies en duizeligheid veroorzaken. Ze kunnen de afvoer van de cerebrospinale vloeistof blokkeren, waardoor deze vloeistof zich in de ruimten in de hersenen (ventrikels) ophoopt. De ventrikels worden daardoor groter (een aandoening die ‘hydrocefalie' of ‘waterhoofd' wordt genoemd) en de druk binnen de schedel neemt toe. De symptomen zijn onder meer hoofdpijn, misselijkheid, braken, moeite om de ogen omhoog te draaien, lethargie en coma met inklemming van de hersenen. Bij zuigelingen wordt het hoofd groter.

meningeomen

Meningeomen zijn over het algemeen goedaardig, maar kunnen na verwijdering terugkeren. Deze tumoren komen vaker voor bij vrouwen en verschijnen meestal tussen de 40 en 60 jaar, maar ze kunnen ook op de kinderleeftijd of op latere leeftijd ontstaan. Ze kunnen spierzwakte of gevoelloosheid, epileptische aanvallen, een verminderde reukzin en veranderingen in het gezichtsvermogen veroorzaken. Als ze zeer groot worden, kunnen ze geestelijke achteruitgang, waaronder geheugenverlies, veroorzaken die moeilijk van dementie is te onderscheiden.

pinealomen

Pinealomen ontstaan meestal op de kinderleeftijd en veroorzaken vaak een vervroegde puberteit. Ze kunnen de afvoer van de vloeistof rond de hersenen blokkeren, wat tot hydrocefalie (waterhoofd) leidt. De meest voorkomende vorm van pinealoom is een kiemceltumor.

tumoren van de hypofyse

De hypofyse, gelegen aan de schedelbasis, reguleert een groot deel van het hormonale stelsel van het lichaam. Tumoren van de hypofyse (hypofyseadenomen) zijn meestal goedaardig en produceren abnormaal grote hoeveelheden hypofysehormonen. De effecten variëren afhankelijk van welk hormoon in grote hoeveelheden wordt uitgescheiden.

  • Een toename in de hoeveelheid groeihormoon leidt tot extreme lengte (gigantisme) of onevenredige vergroting van het hoofd, het gezicht, de handen, de voeten en de borst (acromegalie).
  • Een toename in de hoeveelheid corticotropine (adrenocorticotroop hormoon; ACTH) leidt tot het syndroom van Cushing.
  • Een toename in de hoeveelheid thyroïdstimulerend hormoon (TSH) leidt tot hyperthyreoïdie.
  • Een toename in de hoeveelheid prolactine stopt de menstruatiecyclus (amenorroe), leidt tot productie van moedermelk bij vrouwen die geen borstvoeding geven (galactorroe) en veroorzaakt bij mannen erectiestoornissen en borstvergroting (gynaecomastie).

Tumoren van de hypofyse kunnen ook de hormoonproducerende weefsels in de hypofyse aantasten, waardoor in het lichaam uiteindelijk te lage hormoonspiegels van de betreffende hormonen ontstaan. Er treedt vaak hoofdpijn op. Als de tumor groter wordt, gaat in beide ogen het perifere gezichtsveld (de buitenranden van het gezichtsveld) verloren.

Diagnose

De arts overweegt de mogelijkheid van een hersentumor bij patiënten die voor het eerst een epileptische aanval hebben gehad of die de kenmerkende symptomen vertonen. Hoewel de arts bij lichamelijk onderzoek vaak afwijkingen van de hersenfuncties kan constateren, zijn er nog andere procedures nodig om een hersentumor vast te stellen.

Op standaard röntgenopnamen van de schedel kunnen tumoren die het bot aantasten (zoals een meningeoom of hypofyseadenoom) worden ontdekt. Magnetische kernspinresonantie (MRI) en computertomografie (CT) zijn echter bruikbaardere methoden, omdat hiermee alle typen hersentumor kunnen worden opgespoord. Met deze methoden is ook de omvang en de exacte plaats van de tumor in detail te zien. Nadat een hersentumor is ontdekt, worden verdere diagnostische technieken toegepast om de specifieke tumorsoort te bepalen.

Soms wordt een lumbaalpunctie (ruggenprik (zie Diagnose van aandoeningen van hersenen, ruggenmerg en zenuwen:Diagnostisch onderzoekIllustraties)) uitgevoerd om ruggenmergvloeistof voor microscopisch onderzoek te verkrijgen. Deze procedure wordt toegepast wanneer de arts vermoedt dat de tumor de hersenvliezen (de meninges) is binnengedrongen, de hersenzenuwen samendrukt en de circulatie van de hersenvloeistof blokkeert. Een lumbaalpunctie kan ook uitkomst bieden wanneer de diagnose of het type tumor niet duidelijk is. Ruggenmergvloeistof kan kankercellen bevatten. Een lumbaalpunctie kan echter niet worden uitgevoerd bij mensen met een grote tumor die de druk binnen de schedel verhoogt. Door het aftappen van ruggenmergvloeistof tijdens een lumbaalpunctie kan de tumor verschuiven, waardoor inklemming kan optreden.

Er is meestal een biopsie noodzakelijk, waarbij een monster van de tumor wordt genomen voor microscopisch onderzoek, om te kunnen vaststellen welk type tumor het betreft en ook of de tumor kwaadaardig is. Een biopsie kan worden uitgevoerd tijdens de operatieve ingreep waarbij de tumor geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd. Bij een moeilijk te bereiken tumor kan een biopt worden genomen met behulp van driedimensionale techniek (stereotaxie) voor plaatsing van de naald in combinatie met CT.

Behandeling en prognose

De behandeling van een hersentumor hangt af van het type en de plaats van de tumor. Zo mogelijk wordt de tumor operatief verwijderd. Sommige hersentumoren kunnen met weinig of geen beschadiging van de hersenen worden weggenomen. Veel tumoren groeien echter in een gebied waar verwijdering moeilijk of onmogelijk is zonder vitale structuren te beschadigen. Operatief ingrijpen veroorzaakt soms hersenbeschadiging die kan leiden tot gedeeltelijke verlamming, veranderingen in zintuiglijke waarnemingen, spierzwakte en achteruitgang van de verstandelijke vermogens. Verwijdering van een tumor, zowel een goedaardige als een kwaadaardige, is echter essentieel als de groei van de tumor belangrijke hersenstructuren bedreigt. Zelfs wanneer genezing niet mogelijk is, kan een operatie toch zin hebben om de tumor te verkleinen, symptomen te verlichten en om de arts te laten bepalen of andere behandelingen gerechtvaardigd zijn, bijvoorbeeld radiotherapie of chemotherapie.

Verwijdering van een goedaardige tumor is vaak ongevaarlijk en leidt tot genezing. Zeer kleine tumoren en tumoren bij ouderen laat men daarentegen soms zitten zolang ze geen symptomen veroorzaken. Soms wordt er na de operatie bestraald om eventueel achtergebleven tumorcellen te vernietigen. Bij de behandeling van kleine tumoren waar de chirurg met traditionele operatietechnieken niet gemakkelijk bij kan, wordt radiochirurgie toegepast. Deze techniek wordt ook toegepast om meningeomen te behandelen. Bij radiochirurgie wordt gebruik gemaakt van gerichte straling om een tumor te vernietigen in plaats van een incisie om de tumor te verwijderen. Met radiochirurgie is de behandeling binnen 1 dag voltooid.

De meeste kwaadaardige hersentumoren worden behandeld met een combinatie van operatief ingrijpen, radiotherapie en chemotherapie. Eerst wordt zoveel mogelijk van de tumor verwijderd als veilig is, waarna met bestraling wordt begonnen. Radiotherapie wordt gedurende enkele weken gegeven. Bestraling leidt zelden tot genezing, maar kan de tumor voldoende doen slinken om deze gedurende maanden en soms jaren onder controle te kunnen gehouden. Bij bepaalde typen kwaadaardige hersentumoren wordt chemotherapie toegepast. Chemotherapie blijkt vooral effectief bij behandeling van anaplastische oligodendrogliomen. Radiochirurgie wordt ook toegepast om kwaadaardige hersentumoren te behandelen.

Verhoogde druk binnen de schedel is bijzonder ernstig en dient onmiddellijk te worden behandeld. Gewoonlijk worden geneesmiddelen als mannitol of corticosteroïden geïnjecteerd om de druk te verlagen en inklemming te voorkomen. Corticosteroïden kunnen vaak binnen enkele dagen voor functieherstel zorgen, zelfs bij een grote tumor. Als de tumor de circulatie van de hersenvloeistof door de ruimten binnen de hersenen blokkeert, kan een drain worden gebruikt om door aftappen van hersenvloeistof het risico van inklemming te verkleinen. De drain bestaat uit een buisje (katheter) dat is verbonden met een meter die de druk in de schedel meet en waardoor de vloeistof eventueel kan worden afgetapt. Het buisje wordt ingebracht via een kleine, in de schedel geboorde opening. Deze procedure kan onder plaatselijke verdoving (gewoonlijk samen met een kalmerend middel) of algehele narcose worden uitgevoerd. Het buisje wordt verwijderd of na enkele dagen vervangen door een permanent afvoerbuisje (shunt). In de tussentijd wordt de tumor geheel of gedeeltelijk operatief verwijderd of er wordt radiochirurgie of bestraling toegepast om de tumor te verkleinen en zo de blokkade te verhelpen.

De behandeling van metastasen in de hersenen hangt voornamelijk af van de plaats van de primaire tumor. Vaak wordt op de metastase in de hersenen gerichte bestraling toegepast. Operatieve verwijdering kan zinvol zijn bij patiënten met slechts een enkele metastase. Naast traditionele behandelingen worden er behandelingen met radiochirurgie en experimentele behandelingen, waaronder chemotherapie en radioactieve implantaten in de tumor, uitgeprobeerd.

De prognose voor patiënten met een hersentumor loopt uiteen van volledig herstel tot overlijden, afhankelijk van het type en de plaats van de tumor.

Vraagstukken betreffende het levenseinde: aangezien de levensverwachting van patiënten met een kwaadaardige hersentumor beperkt is, wordt aangeraden een schriftelijke wilsverklaring op te stellen (zie Juridische positie van de patiënt: Schriftelijke wilsverklaring). Met behulp van een dergelijke wilsverklaring kan de arts beter bepalen welke medische zorg de patiënt wil als hij niet meer in staat is beslissingen over medische behandeling te nemen. Veel kankercentra, vooral centra met hospicezorg, bieden psychologische ondersteuning en thuiszorg.

HERSENTUMOREN DIE IN OF NABIJ DE HERSENEN ONTSTAAN

type tumor

oorsprong

kwaadaardig/goedaardig

percentage van alle hersentumoren

komt voor bij

 

adenoom

cellen van de hypofyse

grotendeels goedaardig

10%

volwassenen

chordoom

embryonale cellen van de wervelkolom

goedaardig, maar invasief

minder dan 1%

volwassenen (kan bij geboorte aanwezig zijn)

craniofaryngioom

embryonale cellen van de hypofyse

grotendeels goedaardig

minder dan 1%

volwassenen (kan bij geboorte aanwezig zijn)

dermoïdcysten en epidermoïdcarcinomen

embryonale huidcellen

goedaardig

minder dan 1%

kinderen en volwassenen (dermoïdcysten kunnen bij de geboorte aanwezig zijn)

ependymoom

cellen van het weefsel waarmee de holten (ventrikels) in de hersenen zijn bekleed

grotendeels goedaardig

ongeveer 1% (en ongeveer 9% van de tumoren die op de kinderleeftijd ontstaan)

kinderen

gliomen

65%

astrocytoom

cellen van het weefsel dat de zenuwcellen ondersteunt (gliacellen)

kwaadaardig of goedaardig (sommige aanvankelijk goedaardige astrocytomen worden na 3-5 jaar kwaadaardige, anaplastische astrocytomen)

kinderen en volwassenen

oligodendroglioom

cellen die de myelineschede vormen rond de zenuwvezels in de hersenen (oligodendrocyten)

meestal goedaardig, maar worden soms kwaadaardig (anaplastische oligodendrogliomen)

kinderen en volwassenen

multiform glioblastoom

minder gedifferentieerde vormen van gliacellen en oligodendrocyten

kwaadaardig

volwassenen

hemangioblastoom

embryonale cellen die zich ontwikkelen tot bloedcellen

goedaardig

1-2%

kinderen en volwassenen

hypofyseadenoom

cellen van de hypofyse

goedaardig

2%

kinderen en volwassenen

kiemceltumoren (waaronder germinomen)

embryonale cellen in de buurt van de epifyse

kwaadaardig en goedaardig

1%

kinderen (germinomen kunnen bij de geboorte aanwezig zijn)

medulloblastoom

embryonale cellen van de kleine hersenen

kwaadaardig

(25% van de hersentumoren die op de kinderleeftijd ontstaan)

kinderen (meestal vóór de puberteit) en in zeldzame gevallen bij volwassenen

meningeoom

cellen van de weefsellagen die de hersenen bedekken (hersenvliezen)

goedaardig, maar kunnen terugkomen

20%

volwassenen

osteoom

schedelbeenderen

goedaardig

2%

kinderen en volwassenen

osteosarcoom

schedelbeenderen

kwaadaardig

minder dan 1%

kinderen en volwassenen

pinealoom

cellen van de epifyse

goedaardig

minder dan 1%

kinderen

Wat is goedaardige intracraniële hypertensie?

Goedaardige intracraniële hypertensie (ook wel ‘pseudotumor cerebri' genaamd) is een aandoening waarbij de druk binnen de schedel (intracraniële druk) toeneemt zonder aanwijzingen voor een oorzaak als een tumor, een infectie of een geblokkeerde afvoer van de vloeistof rond de hersenen. De aandoening komt het meest voor bij vrouwen tussen de 20 en de 50 jaar, vooral bij vrouwen met overgewicht.

In de meeste gevallen kan noch de ontwikkeling noch het uiteindelijke verdwijnen van goedaardige intracraniële hypertensie aan een bepaalde gebeurtenis worden toegeschreven. In ongeveer eenderde van de gevallen is de oorzaak een afsluiting van de grote aderen (veneuze sinussen) die het bloed uit de hersenen afvoeren. Bij kinderen komt goedaardige intracraniële hypertensie soms voor na beëindiging van een behandeling met corticosteroïden of na inname van een grote hoeveelheid vitamine A of van het antibioticum tetracycline Handelsnaam
Tetracycline
.

Goedaardige intracraniële hypertensie begint meestal met hoofdpijn, die vaak licht begint, maar uiteindelijk hevig wordt. In de latere stadia van de aandoening verliest ongeveer 5% van de patiënten geheel of gedeeltelijk het gezichtsvermogen in één of beide ogen. Door de toegenomen druk in de schedel kan de gezichtszenuw bij het oog opzwellen, een aandoening die ‘papiloedeem' wordt genoemd. De arts kan de zwelling waarnemen door met een oftalmoscoop naar de achterkant van het oog te kijken.

Bij de beoordeling van goedaardige intracraniële hypertensie worden eerst alle mogelijke behandelbare oorzaken van de verhoogde druk binnen de schedel uitgesloten. De resultaten van een computertomografie (CT) zijn meestal normaal, maar de ruimten in de hersenen kunnen enigszins samengedrukt lijken. Er wordt een lumbaalpunctie uitgevoerd om de druk van de cerebrospinale vloeistof te meten (doorgaans licht verhoogd) en de samenstelling ervan te analyseren (meestal normaal).

Goedaardige intracraniële hypertensie verdwijnt vaak vanzelf binnen 6 maanden, maar mensen met overgewicht zouden toch moeten afvallen. De hoofdpijn kan met acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
(aspirine) of paracetamol worden verlicht. Als de toegenomen intracraniële druk niet binnen enkele weken daalt, kan het geneesmiddel acetazolamide Handelsnaam
Diamox
Glaupax
worden voorgeschreven om de druk te verminderen.

Goedaardige intracraniële hypertensie komt bij ongeveer 10%van de mensen terug. Bij sommige mensen wordt de aandoening chronisch en steeds erger, wat uiteindelijk tot blindheid leidt. Als het gezichtsvermogen eenmaal verloren is gegaan, kan dat blijvend zijn zelfs als de druk in de schedel wordt verminderd. Maar het gezichtsvermogen hoeft niet verloren te gaan. Mensen met de chronische vorm van de aandoening doen er goed aan elke dag hun gezichtsvermogen te testen door klein gedrukte tekst te lezen. Zo gauw ze een verandering in hun gezichtsvermogen opmerken, moeten ze de arts raadplegen of naar de afdeling voor spoedeisende hulp gaan. Als het gezichtsvermogen gevaar loopt, kan de intracraniële druk op verschillende manieren worden verminderd.

Dagelijks of wekelijks kan een lumbaalpunctie worden uitgevoerd om cerebrospinale vloeistof af te tappen. Er kunnen ook via een operatieve ingreep insnijdingen of gaatjes worden gemaakt in het omhulsel van de gezichtszenuw achter het oog (fenestratie) zodat hersenvloeistof naar het weefsel rond het oog en vandaar naar de aders kan wegvloeien. Als de aandoening niet overgaat, kan er operatief een permanent afvoerbuisje (shunt) worden geplaatst om de overtollige vloeistof af te voeren.

Inzicht in de behandeling van een tumor

Craniotomie: nadat een deel van de hoofdhuid is kaalgeschoren, wordt er een insnijding door de huid gemaakt. Met een craniotomieboor en een speciale zaag wordt een klein stukje bot boven de tumor verwijderd. De tumor wordt gelokaliseerd en verwijderd. Meestal wordt daarna het bot teruggeplaatst en de insnijding dichtgenaaid. De tumor kan worden weggesneden met een scalpel, verdampt met een laser (die hitte produceert) of kapot getrild met een apparaat dat ultrasone trillingen produceert, zodat de deeltjes kunnen worden weggezogen (geaspireerd). Lasers en ultrasone apparaten worden gebruikt om tumoren te verwijderen die moeilijk zijn weg te snijden.

Stereotactische technieken: met behulp van een computer kan een driedimensionaal beeld van de tumor worden gemaakt, waarmee de plaats van de tumor ten opzichte van de andere structuren in de hersenen nauwkeurig kan worden bepaald. Het driedimensionale beeld kan worden verkregen door een metalen frame met een aantal staafjes op de schedel van de patiënt te bevestigen. De staafjes verschijnen als punten op een CT-scan en fungeren zo als referentiepunt om de plaats van de tumor te bepalen. In plaats daarvan kan ook andere apparatuur worden gebruikt zonder een frame, zoals een neuronavigatie- of kompassysteem. Stereotactische technieken kunnen worden toegepast om een biopt te nemen, tumoren te verwijderen of om implantaten met een chemotherapeutisch geneesmiddel of radioactieve pellets in te brengen.

Radiochirurgie: radiochirurgie is geen echte chirurgie omdat er geen insnijding nodig is. Om een tumor te vernietigen, wordt gebruikgemaakt van bestraling die zo gericht is dat een kleinere dosis nodig is. Dit type bestraling kan door verschillende apparaten worden opgewekt, waaronder een gamma knife en een lineaire versneller.

Bij het gebruik van een gamma knife wordt op de schedel van de patiënt een stereotactisch frame bevestigd. De patiënt ligt daarbij op een verschuifbaar bed en er wordt een grote helm met gaatjes over het frame geplaatst. Het hoofdeinde van het bed wordt dan in een bolvormige bestralingsruimte geschoven waarin zich radioactief kobalt bevindt. De straling gaat door de gaatjes in de helm en wordt precies op de tumor gericht.

Een lineaire versneller beweegt zich rond het hoofd van de patiënt, die op een verschuifbaar bed ligt. De lineaire versneller richt de bestraling precies op de tumor.

Implantaten: na verwijdering van een tumor en vóór sluiting van de schedel en de insnijding, kunnen er wafels gedrenkt in een chemotherapeutisch middel in de ruimte worden geplaatstwaar zich eerst de tumor bevond. Naarmate de wafels oplossen geven ze het geneesmiddel af om eventuele resterende kankercellen te vernietigen.

Via een insnijding kan er een dunne buis (katheter) worden ingebracht om radioactieve implantaten rechtstreeks in de tumor te plaatsen. De implantaten kunnen blijven zitten of na een paar dagen of maanden worden verwijderd. In tegenstelling tot patiënten die uitwendig zijn bestraald, zijn mensen met een radioactief implantaat een tijdje zelf radioactief en moeten dus volgens de instructies van de arts voorzorgsmaatregelen in acht nemen. Na deze procedure kan er een operatie nodig zijn om dode kankercellen te verwijderen.

Shunts: als de druk in de schedel door een tumor toeneemt, kan er operatief een shunt worden aangelegd. Een shunt is een dun buisje dat wordt ingebracht in één van de holten in de hersenen (ventrikels) of soms in de ruimte rond het ruggenmerg waarin zich hersenvloeistof bevindt (subarachnoïdale ruimte). Het andere uiteinde van het buisje wordt meestal vanuit het hoofd onderhuids naar de buikholte geleid. Overtollige hersenvloeistof wordt uit de hersenen afgevoerd en in de buikholte geabsorbeerd. In de shunt zit een klep die alleen opengaat wanneer er te veel vocht in de hersenen zit. Een shunt kan tijdelijk zijn (totdat de tumor is verwijderd) of permanent.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Beschadiging van het zenuwstelsel door bestraling

Volgende: Neurofibromatose

Illustraties
Tabellen
Disclaimer