MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Symptomen

Tot de meest voorkomende symptomen van longziekten behoren hoesten, kortademigheid (dyspneu), een gierende (stridor) en een fluitende (wheezing) ademhaling. Longproblemen kunnen ook gepaard gaan met het ophoesten van bloed (hemoptoë), een blauwachtige verkleuring van de huid door zuurstofgebrek (cyanose) en pijn op de borst. Bij chronische longziekten kunnen zelfs veranderingen elders in het lichaam optreden, zoals trommelstokvingers. Sommige van deze symptomen hoeven niet per se op een aandoening van de luchtwegen te duiden. Pijn op de borst kan bijvoorbeeld ook het gevolg zijn van een aandoening van het hart of het maag-darmkanaal, en kortademigheid komt ook bij hartaandoeningen voor.

Hoesten

Hoesten is een plotselinge, explosieve vorm van uitademen; hoesten dient om materiaal uit de luchtwegen te verwijderen.

Hoesten, een bekende, maar gecompliceerde reflex, is één van de manieren waarop de longen en de luchtwegen worden beschermd. Samen met andere mechanismen worden de longen door hoesten beschermd tegen ingeademde (geaspireerde) deeltjes. Bij hoesten komt soms sputum (ook ‘flegma' genoemd) naar boven. Dit is een mengsel van slijm, afvalmateriaal (debris) en door de longen afgestoten cellen.

Hoesten treedt op wanneer de luchtwegen geïrriteerd raken. Luchtweginfecties door bacteriën of virussen irriteren de luchtwegen en vormen een veelvoorkomende oorzaak van hoesten. Ook allergieën kunnen irritatie van de luchtwegen veroorzaken. Rokers hoesten door de prikkelende effecten van de rook en de schade die roken toebrengt aan de cellen waarmee de luchtwegen zijn bekleed, met inbegrip van de haarvormige uitsteeksels (cilia) die de luchtwegen normaal gesproken van debris ontdoen.

Hoesten kan in veel gradaties optreden en hinderlijk zijn, vooral als de hoestaanvallen gepaard gaan met pijn op de borst, kortademigheid of ongewoon grote hoeveelheden of erg taai sputum.

Bij het vaststellen van de oorzaak is informatie over het hoesten erg belangrijk. Daarom worden mogelijk de volgende vragen gesteld:

  • Hoe lang duurt het hoesten al?
  • Op welk moment van de dag treedt het hoesten op?
  • Welke factoren (bijvoorbeeld koude lucht, houding, praten, eten of drinken) hebben invloed op het hoesten?
  • Gaat het hoesten gepaard met pijn op de borst, kortademigheid, heesheid, duizeligheid of een fluitende ademhaling?
  • Wordt er ook sputum of bloed opgehoest?
  • Welke kleur heeft het sputum?

Bij het stellen van de diagnose is het van belang te weten hoe het sputum eruit ziet. Als het sputum gelig, groenig of bruinig is, kan dit op een bacteriële infectie wijzen. Helder, maar zeer taai (mucoïd) sputum is kenmerkend voor astma. Sputum kan onder een microscoop worden onderzocht. Als er dan bacteriën en witte bloedcellen zichtbaar zijn, wijst dit eveneens op een infectie. De aanwezigheid van een bepaald type witte bloedcellen (eosinofielen) duidt op astma. Bij hoesten kan ook bloed worden opgegeven, wat meestal op bronchitis duidt, maar ook een aanwijzing voor ernstiger aandoeningen kan zijn. Bloed ophoesten is daarom altijd een reden tot nader onderzoek.

Behandeling

Hoesten speelt een belangrijke rol bij het omhoog brengen van sputum en het vrijmaken van de luchtwegen. Daarom moet hoesten waarbij veel sputum loskomt in het algemeen niet worden onderdrukt. Het is belangrijker om de onderliggende oorzaak (zoals een infectie, vocht in de longen of astma) te behandelen. Bij een infectie kunnen bijvoorbeeld antibiotica worden toegediend en bij astma kan een inhalator worden gebruikt. Afhankelijk van de ernst en de oorzaak kan het nodig zijn het hoesten met allerlei verschillende geneesmiddelen te behandelen. Bij veel mensen moet het hoesten enigszins worden onderdrukt omdat ze anders 's nachts niet kunnen slapen.

Antitussiva: antitussiva zijn geneesmiddelen waarmee hoesten wordt onderdrukt. Alle opioïden zijn antitussiva omdat ze het hoestcentrum in de hersenen onderdrukken. Codeïne is het opioïd dat bij hoesten het meest wordt gebruikt. Codeïne kan misselijkheid, braken en obstipatie veroorzaken; het kan eveneens verslavend zijn. Als codeïne langere tijd wordt gebruikt, kan er verhoging van de dosis nodig zijn om het hoesten te onderdrukken. Opioïde antitussiva kunnen mensen suf maken en zijn niet altijd veilig; artsen reserveren deze middelen dan ook voor speciale gevallen.

Verschillende niet-opioïde hoestonderdrukkers, zoals dextromethorfan Handelsnaam
Tosion Retard
Daromefan
en benzonataat, zijn effectieve antitussiva waarvan de werking eveneens berust op onderdrukking van het hoestcentrum in de hersenen. Deze en andere geneesmiddelen zijn de werkzame bestanddelen van veel hoestmiddelen die met of zonder recept verkrijgbaar zijn (zie Zelfzorgmiddelen: Middelen tegen hoest). Deze middelen zijn niet verslavend en veroorzaken nauwelijks sufheid. Bepaalde patiënten, in het bijzonder degenen die grote hoeveelheden sputum ophoesten, wordt afgeraden deze hoestonderdrukkers vaak te gebruiken.

Inhalatie van stoom, bijvoorbeeld met een verstuiver, kan het hoesten tegengaan door vermindering van de irritatie van de keel (farynx) en de luchtwegen. Door de vochtige stoom komt ook het slijm losser te zitten waardoor het gemakkelijker kan worden opgehoest. Met het verstuiven van koude nevel kan hetzelfde resultaat worden bereikt. Veel artsen zijn van mening dat het drinken van voldoende water voor een goede vochttoestand kan zorgen en voor het losmaken van slijm even effectief is als het inhaleren van stoom.

Expectorantia en mucolytica: expectorantia zorgen ervoor dat het slijm in de grote luchtwegen (bronchiën) wateriger wordt en gemakkelijker kan worden opgehoest. Deze geneesmiddelen onderdrukken het hoesten echter niet. De meest gebruikte middelen die zonder recept verkrijgbaar zijn, zijn preparaten met guaiafenesine Handelsnaam
Toplexil
of ipecacuanha (zie Zelfzorgmiddelen: Geneesmiddelen tegen allergieën). Een kleine dosis ipecacuanhastroop kan bij kinderen effectief zijn, vooral bij kinderen met pseudo-kroep. Bij milde gevallen van pseudo-kroep wordt in Nederland geen therapie geadviseerd, bij ernstiger gevallen worden corticosteroïden aangeraden.

Geneesmiddelen die het slijm minder dik maken (mucolytica), zoals acetylcysteïne Handelsnaam
Mucomyst
Fluimucil
Mucocil
Hoestil
Pharcetil
, worden soms toegepast wanneer taai en kleverig bronchiaal slijm een groot probleem vormt. Bij cystische fibrose wordt dornase-alfa (geïnhaleerd recombinant humaan desoxyribonuclease-I) gebruikt ter verdunning van het met pus gevulde slijm dat bij chronische luchtweginfecties ontstaat.

Antihistaminica, decongestiva en bronchodilatantia: antihistaminica, die ervoor zorgen dat de luchtwegen droog worden, hebben weinig of geen nut bij de behandeling van hoesten, behalve wanneer dit door een allergie van de bovenste luchtwegen wordt veroorzaakt. Als het hoesten een andere oorzaak heeft, bijvoorbeeld bronchitis, dan kan de uitdrogende werking van antihistaminica schadelijk zijn; het sputum dikt dan in en laat zich moeilijk ophoesten.

Decongestiva als fenylefrine Handelsnaam
Boradrine
Visadron
voor een verstopte neus helpen niet veel tegen hoesten, behalve als dit wordt veroorzaakt door neusslijm dat uit de neusholte in de keel vloeit (post-nasal drip).

Bronchodilatantia, zoals sympathicomimetica voor inhalatie of theofylline Handelsnaam
Euphyllin
Theolair
oraal, kunnen worden voorgeschreven als het hoesten optreedt in combinatie met vernauwde luchtwegen (bronchoconstrictie), zoals bij astma en chronische obstructieve bronchitis. Deze middelen zijn zelden bruikbaar bij mensen zonder onderliggende longziekte. Er zijn echter patiënten die na een virale longinfectie een fluitende ademhaling krijgen en lange tijd blijven hoesten; deze patiënten lijken baat te hebben bij kortdurend gebruik van bronchodilatantia.

Dyspneu

Dyspneu (kortademigheid) is het onaangename gevoel van een moeizame ademhaling.

Een snellere ademhaling treedt gewoonlijk op tijdens lichamelijke inspanning of op grote hoogte, maar leidt zelden tot een onaangenaam gevoel. Bij veel ziekten gaat de patiënt in rust ook sneller ademhalen, ongeacht of deze ziekte de luchtwegen of andere lichaamsdelen betreft. Zo heeft een patiënt met koorts meestal een versnelde ademhaling.

Bij dyspneu gaat de versnelde ademhaling gepaard met het gevoel dat men lucht tekort komt. De patiënt heeft het gevoel dat hij niet snel genoeg of niet diep genoeg kan ademhalen. Andere gewaarwordingen zijn onder meer dat er meer spierkracht moet worden gebruikt om de borstkas bij de inademing te laten uitzetten of daarna de lucht weer uit te blazen, en het onaangename gevoel dat er al weer moet worden ingeademd voordat de uitademing is voltooid. Daarnaast treden er verscheidene andere gewaarwordingen op die vaak worden omschreven als druk op de borst.

Vormen van dyspneu

Mensen met een longziekte zijn vaak kortademig wanneer ze zich lichamelijk inspannen. Tijdens inspanning produceert het lichaam meer kooldioxide en verbruikt het meer zuurstof. Het ademhalingscentrum in de hersenen zorgt ervoor dat de ademhaling wordt versneld wanneer de zuurstofconcentratie van het bloed laag of de kooldioxideconcentratie van het bloed hoog is. Als het hart of de longen niet goed functioneren, kan zelfs geringe inspanning al een zeer snelle ademhaling en dyspneu veroorzaken. Wanneer de longziekte verergert, kan dyspneu zelfs in rust optreden.

Dyspneu kan het gevolg zijn van restrictieve of obstructieve longziekten. Bij restrictieve longziekten (zoals idiopathische longfibrose (zie Interstitiële longaandoeningen: Idiopathische longfibrose)) worden de longen stug (de longen zetten tijdens het inademen niet goed uit). Een ernstige kromming van de wervelkolom (scoliose) veroorzaakt restrictie doordat de beweging van de ribbenkast wordt belemmerd. Bij restrictieve aandoeningen ontstaat dyspneu doordat de ademhaling door deze stugheid meer moeite kost en zeer snel gaat. Bij obstructieve aandoeningen als chronische obstructieve bronchitis, longemfyseem en astma ondervindt de luchtstroom meer weerstand door vernauwing van de luchtwegen. Doordat de luchtwegen bij het inademen wijder worden, kan de lucht gewoonlijk gemakkelijk naar binnen worden gezogen. De lucht kan echter niet zo snel als normaal worden uitgeademd doordat de luchtwegen bij het uitademen nauwer worden. Hierdoor verloopt de ademhaling moeizamer.

Met een longfunctietest (zie Symptomen en diagnose van longaandoeningen: Longfunctieonderzoek) kan de mate van restrictie en obstructie worden vastgesteld. Bij ademhalingsproblemen kunnen zowel restrictieve als obstructieve afwijkingen een rol spelen.

Het hart pompt bloed door de longen en daarom moet het hart goed functioneren willen de longen hun werk goed kunnen doen. Als het hart niet goed pompt, kan zich vocht in de longen ophopen. Deze aandoening wordt ‘longoedeem' genoemd. De kortademigheid die hiervan het gevolg is, gaat vaak gepaard met een verstikkend of een zwaar gevoel op de borst. Ook door de vochtophoping in de longen kan er vernauwing van de luchtwegen en een fluitende ademhaling (wheezing) optreden. Dit wordt ‘asthma cardiale' genoemd (zie Hartfalen: Symptomen).

Orthopneu is kortademigheid bij liggen die afneemt door rechtop te gaan zitten. Sommige mensen bij wie de pompfunctie van het hart tekortschiet, hebben hier last van. Paroxismale nachtelijke dyspneu is een plotseling optredende, vaak angstaanjagende aanval van kortademigheid tijdens de slaap. De patiënt wordt naar lucht happend wakker en moet gaan zitten of staan om te kunnen ademen. Deze aandoening is een extreme vorm van orthopneu en vormt een aanwijzing voor ernstig hartfalen (zie Hartfalen: Symptomen).

Dyspneu kan ook optreden bij mensen met bloedarmoede of na bloedverlies. Er zijn dan minder rode bloedcellen beschikbaar voor het transport van zuurstof naar de weefsels. De ademhaling verloopt hierbij snel en diep in een reflexmatige poging de hoeveelheid zuurstof in het bloed te verhogen.

Iemand met een ernstige vorm van nierinsufficiëntie heeft het gevoel buiten adem te zijn en gaat hijgen door een combinatie van metabole acidose, hartfalen en bloedarmoede.

Bij het hyperventilatiesyndroom krijgt de patiënt het gevoel dat hij niet genoeg lucht krijgt en gaat hij zwaar en snel ademen. Deze aandoening wordt meestal veroorzaakt door angst en niet zozeer door een lichamelijk probleem. Veel mensen met dit syndroom zijn angstig en denken dat ze een hartinfarct hebben. De symptomen ontstaan door veranderingen in de bloedgaswaarden (meestal is de kooldioxideconcentratie verlaagd) door de te snelle ademhaling. Er kan een verandering in het bewustzijn optreden die vaak wordt beschreven als het gevoel dat alles wat om de patiënt heen gebeurt ver weg is. Ook kan er sprake zijn van een tintelend gevoel in handen en voeten en rond de mond.

Pijn op de borst

Pijn op de borst kan ontstaan vanuit de pleura (het tweebladige vlies dat de longen bedekt), de longen of de borstwand. Ook kan pijn op de borst ontstaan vanuit inwendige organen die niet tot het ademhalingsstelsel behoren, in het bijzonder het hart. In deze gevallen wijst pijn op de borst niet op een longziekte.

Pleurapijn is een scherpe pijn die ontstaat door een ontsteking van de pleura (pleuritis) en die verergert bij diep ademhalen en hoesten. De pijn neemt af door de borstwand stil te houden, bijvoorbeeld door de pijnlijke kant vast te houden en door diep ademhalen en hoesten te vermijden. De plaats waar de pijn zit kan meestal precies worden aangewezen, al kan de pijn in de loop van de tijd wel van plaats veranderen. Pleuritis aan de onderkant van de long kan zich uiten als pijn in de schouder aan de aangedane kant. Bij pleura-effusie, vochtophoping tussen de twee pleurabladen (zie Aandoeningen van de longvliezen: Pleura-effusie), kan er in eerste instantie pleurapijn ontstaan, maar deze pijn neemt later vaak weer af wanneer de pleurabladen van elkaar gescheiden worden door de toenemende hoeveelheid vocht. Pleurapijn kan veel oorzaken hebben, met inbegrip van virale en bacteriële infecties, kanker en bloedstolsels die met de bloedstroom worden meegevoerd naar de longen (longembolie (zie Longembolie)) en in de longslagaders vast komen te zitten.

Pijn als gevolg van andere longziekten (zoals een longabces of een longtumor) is vaak moeilijker te omschrijven dan pleurapijn. De pijn wordt vaak omschreven als een vage pijn ergens diep binnen in de borst. Vrijwel alle soorten verwondingen van de longen of de luchtwegen kunnen een dergelijke pijn veroorzaken.

Ook kan er vanuit de borstwand zelf pijn ontstaan. Een dergelijke pijn verergert bij diep ademhalen of hoesten en blijft vaak beperkt tot een bepaald gebied van de borstwand, dat ook pijnlijk aanvoelt wanneer erop wordt geduwd. Verwondingen van de borstwand, zoals gebroken ribben of gescheurde of gekneusde tussenribspieren (intercostale spieren), zijn de meest voorkomende oorzaken. Zelfs door hard hoesten kunnen deze spieren beschadigd raken, waardoor pijn ontstaat die dagen of weken kan aanhouden. Bij een tumor die in de borstwand ingroeit, kan de pijn tot een klein gebied pijn beperkt blijven. Als de tumor echter in een tussenribzenuw ingroeit, kan de pijn zich uitstrekken tot het gehele gebied dat door die zenuw wordt verzorgd (uitstralingspijn) (Pijn:Beoordeling van pijnIllustraties).

Gordelroos, veroorzaakt door een infectie met het varicellazostervirus, veroorzaakt soms bij elke ademhaling pijn in de borstwand nog voordat de kenmerkende uitslag optreedt (zie Virusinfecties: Gordelroos).

Wheezing

Wheezing is een fluitende ademhaling die wordt veroorzaakt door gedeeltelijk geblokkeerde luchtwegen.

Een fluitende ademhaling is het gevolg van een obstructie ergens in de luchtwegen. Dit kan verschillende oorzaken hebben: een algehele vernauwing van de luchtwegen (zoals bij astma of chronische obstructieve longziekte), een plaatselijke vernauwing (zoals bij een tumor) of een lichaamsvreemd voorwerp in een van de luchtwegen. Astma is de meest voorkomende oorzaak van een regelmatig terugkerende fluitende ademhaling, hoewel er veel mensen zijn die wel eens een fluitende ademhaling hebben zonder dat ze aan astma lijden.

Een fluitende ademhaling is gewoonlijk vast te stellen door met een stethoscoop de ademhaling te beluisteren. Een luide fluitende ademhaling is gemakkelijk zonder stethoscoop te horen. Wanneer het fluiten door een plaatselijke vernauwing wordt veroorzaakt, kan de arts een trilling waarnemen die samen met de fluitende ademhaling optreedt. Deze trilling kan worden gevonden door de borstwand ter hoogte van de obstructie (zoals een tumor of een vreemd voorwerp) met de vingers af te tasten terwijl de patiënt krachtig ademt. Een aanhoudend fluitend geluid op dezelfde plaats bij een roker kan door longkanker worden veroorzaakt. De arts kan dan, ook als er op de longfoto niets te zien is, toch besluiten een bronchoscopie te verrichten (zie Symptomen en diagnose van longaandoeningen: Bronchoscopie). Een longfunctietest (zie Symptomen en diagnose van longaandoeningen: Longfunctieonderzoek) kan nodig zijn om de mate van luchtwegvernauwing vast te stellen en om te beoordelen in hoeverre een behandeling een gunstig effect heeft.

Stridor

Een stridor is een gierend geluid dat wordt veroorzaakt door een gedeeltelijke afsluiting van de keel (farynx), het strottenhoofd (larynx) of de luchtpijp (trachea). Een stridor is vaak het duidelijkst te horen tijdens het inademen.

Een stridor is meestal luid genoeg om op enige afstand te kunnen worden gehoord, maar het komt ook wel voor dat een stridor alleen bij een diepe ademhaling hoorbaar is. Het geluid ontstaat als de lucht door een vernauwing van de bovenste luchtwegen gaat wervelen. Bij kinderen kan de oorzaak gelegen zijn in een infectie van de epiglottis (zie Bacteriële infecties: Epiglottitis) of in een ingeademd vreemd voorwerp. Bij volwassenen kan een stridor worden veroorzaakt door een tumor, abces, zwelling (oedeem) in de bovenste luchtwegen of slecht functionerende stembanden.

Er is sprake van een medische noodsituatie wanneer de stridor bij een patiënt in rust dyspneu veroorzaakt. In dat geval kan er een buisje via de neus of de mond (tracheale intubatie) of via een kleine insnijding rechtstreeks in de luchtpijp (tracheostomie) worden ingebracht zodat de lucht langs de afsluiting kan stromen en de patiënt niet stikt.

Hemoptoë

Hemoptoë is het ophoesten van bloed uit de luchtwegen.

Hemoptoë kan vaak angstgevoelens oproepen, maar is meestal niet ernstig van aard. De meest voorkomende oorzaak is een infectie. Als het sputum grote hoeveelheden bloed bevat of om onverklaarbare redenen bloed bevat, is onderzoek door een arts noodzakelijk.

Tumoren, meer in het bijzonder longkanker, zijn verantwoordelijk voor ten hoogste 20% van de gevallen van hemoptoë. Mensen die roken, ouder zijn dan 40 jaar (of zelfs jonger als ze al in hun puberteit met roken zijn begonnen) en bloed ophoesten, worden op longkanker onderzocht, ook al bevat het sputum alleen maar spoortjes bloed. Wanneer er longweefsel afsterft (zie Longembolie) doordat een longslagader door een bloedstolsel wordt afgesloten (longembolie), kan eveneens hemoptoë optreden.

Soms, in het bijzonder bij ernstig zieke patiënten, wordt een katheter in de longslagader geplaatst om de bloeddruk in het hart en de bloedvaten van de longen te meten. Als door de ballon van de katheter het bloedvat scheurt, kan er een zeer ernstige bloeding optreden. Hemoptoë kan ook worden veroorzaakt door hoge bloeddruk in de longaders, wat kan optreden bij hartfalen en mitralisstenose. Hemoptoë kan ook door andere problemen met de bloedsomloop in de longen worden veroorzaakt, waaronder arterioveneuze malformaties (misvormingen).

Diagnose

Als hemoptoë ernstig of de oorzaak ervan onduidelijk is, moet diagnostisch onderzoek worden verricht. Er kan een bronchoscopie nodig zijn om de locatie van de bloeding vast te stellen. Een longembolie kan door middel van een scan met een radioactieve stof (longperfusiescan (zie Longembolie: Diagnose)) worden aangetoond. Ondanks onderzoeken wordt in 30 tot 40% van de gevallen de oorzaak van hemoptoë niet achterhaald, al wordt bij een ernstige bloeding de oorzaak meestal wel gevonden.

Behandeling

Een lichte vorm van hemoptoë hoeft niet te worden behandeld, of hooguit met antibiotica om een infectie te bestrijden. Bij een bloeding kunnen stolsels ontstaan die de luchtwegen afsluiten en zo nog meer ademhalingsproblemen veroorzaken. Hoesten is daarom belangrijk om de luchtwegen schoon te houden en mag niet met antitussiva worden onderdrukt. Een groot stolsel dat een van de grote luchtwegen verstopt, kan met een bronchoscoop worden verwijderd.

Een bloeding uit kleinere bloedvaten stopt meestal vanzelf. Een bloeding uit een groot bloedvat moet gewoonlijk echter wel worden behandeld. Door middel van een ingreep, ‘embolisatie' geheten, wordt geprobeerd het bloedende vat af te sluiten. Onder doorlichting wordt er een katheter in het bloedvat ingebracht, waarna er een chemische stof, fragmenten van een gelatinesponsje of een spiraalvormig draadje wordt achtergelaten om het bloedvat af te sluiten zodat de bloeding stopt. Een bloeding door een infectie of hartfalen neemt gewoonlijk af als de onderliggende aandoening met succes wordt behandeld. Soms is een bronchoscopie of een operatie nodig om de bloeding te stoppen, of moet het zieke deel van de long operatief worden verwijderd. Deze ingrepen, die een groot risico met zich meebrengen, worden uitsluitend als laatste redmiddel toegepast. Als stollingsstoornissen mede een rol spelen bij de bloeding dan kan er een transfusie van plasma, stollingsfactoren of bloedplaatjes nodig zijn.

Cyanose

Cyanose is een blauwachtige verkleuring van de huid door een tekort aan zuurstof in het bloed.

Cyanose treedt op wanneer zuurstofarm bloed, dat eerder wat blauwachtig dan rood van kleur is, door de huid circuleert. Cyanose kan het gevolg zijn van een reeks ernstige long- of hartziekten die een lage zuurstofconcentratie van het bloed veroorzaken, maar ook van bepaalde afwijkingen van hart en bloedvaten. Bij dit soort afwijkingen stroomt er bloed rechtstreeks in de aders die het bloed uit de longen naar het hart terugvoeren of in de linker harthelft. Men spreekt van een ‘shunt' als bloed door een misvorming rechtstreeks naar het hart terugstroomt zonder de longblaasjes (alveoli) te passeren en daar zuurstof uit de lucht op te nemen.

De hoeveelheid zuurstof in het bloed kan worden vastgesteld door middel van arteriële bloedgasanalyse (zie Symptomen en diagnose van longaandoeningen: Arteriële bloedgasanalyse). Thoraxfoto's, bloedstroomonderzoek en long- en hartfunctietests kunnen nodig zijn om de oorzaak vast te stellen van de verminderde hoeveelheid zuurstof in het bloed en de daaruit voortkomende cyanose. Met oxymetrie, waarbij een elektrode op een vinger of oorlel wordt geklemd, kan de zuurstofconcentratie van een ernstig zieke patiënt continu worden gecontroleerd. Toediening van zuurstof is vaak de eerste behandeling die wordt gegeven.

Trommelstokvingers

Bij trommelstokvingers zijn de toppen van de vingers of de tenen vergroot en is de hoek aan de basis van de nagel veranderd.

Trommelstokvingers ontstaan wanneer de hoeveelheid zacht weefsel onder het nagelbed toeneemt. Wat de oorzaak hiervan is, is niet duidelijk. Het verschijnsel lijkt bij sommige longziekten (longkanker, longabces, bronchiëctasieën) wel, maar bij andere (longontsteking, astma, emfyseem) weer niet op te treden. Trommelstokvingers komen ook voor bij enkele aangeboren hartafwijkingen of zijn soms aangeboren zonder dat er van een ziekte sprake is.

Hoe zien trommelstokvingers eruit?

Hoe zien trommelstokvingers eruit?

Trommelstokvingers zijn te herkennen aan de vergrote vingertoppen en de veranderde hoek van de nagels bij het nagelbed.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Diagnose

Illustraties
Tabellen
Disclaimer