MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Distributie van geneesmiddelen

Distributie van een geneesmiddel verwijst naar de verspreiding ervan naar en vanuit het bloed en de verschillende lichaamsweefsels (zoals vet-, spier- en hersenweefsel) en de relevante hoeveelheid geneesmiddel in de weefsels.

Nadat een geneesmiddel in het bloed is opgenomen, circuleert het snel door het lichaam; de gemiddelde circulatietijd van bloed bedraagt 1 minuut. Doordat het bloed blijft rondstromen, heeft het geneesmiddel gelegenheid om van de bloedbaan in de lichaamsweefsels terecht te komen.

De meeste geneesmiddelen verspreiden zich na resorptie niet gelijkmatig door het lichaam. Geneesmiddelen die oplossen in water (wateroplosbare middelen), zoals het middel atenolol Handelsnaam
Tenormin
tegen hoge bloeddruk, blijven vaak aanwezig in het bloed en de vloeistof rond de cellen (interstitiële ruimte). Geneesmiddelen die oplossen in vet (vetoplosbare middelen), zoals het verdovingsmiddel halothaan, hebben de neiging zich op te hopen in vetweefsel. Andere geneesmiddelen hopen zich voornamelijk op in slechts een klein deel van het lichaam (jodium hoopt zich bijvoorbeeld vooral op in de schildklier) doordat de weefsels daar een speciale aantrekkingskracht op het geneesmiddel uitoefenen en het geneesmiddel goed kunnen vasthouden (affiniteit).

Geneesmiddelen dringen de verschillende weefsels met verschillende snelheden binnen, afhankelijk van hun vermogen om membranen te passeren. Zo komt het verdovingsmiddel thiopental (een sterk in vet oplosbaar middel) snel in de hersenen terecht, maar het antibioticum penicilline (een wateroplosbaar middel) niet. In het algemeen kunnen vetoplosbare geneesmiddelen celmembranen sneller passeren dan wateroplosbare geneesmiddelen. Sommige geneesmiddelen worden door transportmechanismen geholpen bij het binnengaan en verlaten van de weefsels.

Sommige geneesmiddelen verlaten de bloedbaan zeer langzaam doordat ze zich sterk binden aan eiwitten die in het bloed circuleren. Andere komen snel vanuit het bloed in andere weefsels terecht doordat ze minder sterk zijn gebonden aan bloedeiwitten. Sommige of nagenoeg alle moleculen van een geneesmiddel kunnen aan bloedeiwitten binden. Het eiwitgebonden deel is in het algemeen onwerkzaam. Naarmate het ongebonden geneesmiddel zich verder over de weefsels verdeelt en de concentratie in de bloedbaan afneemt, laten de bloedeiwitten de gebonden geneesmiddelen langzaam los. Daardoor kan het gebonden geneesmiddel in de bloedbaan dienen als geneesmiddelreservoir.

Sommige geneesmiddelen hopen zich op in bepaalde weefsels die eveneens als reservoir voor extra geneesmiddel kunnen dienen. Deze weefsels geven het geneesmiddel langzaam aan de bloedbaan af, waardoor wordt voorkomen dat de bloedspiegel van het geneesmiddel snel daalt. Hierdoor houdt het effect van het middel langer aan. Sommige geneesmiddelen, zoals middelen die zich in vetweefsel ophopen, verlaten de weefsels zo langzaam dat ze nog dagen nadat iemand met de inname van het geneesmiddel is gestopt, in de bloedbaan circuleren.

De distributie van een bepaald geneesmiddel kan ook van persoon tot persoon verschillen. Zo kunnen mensen met overgewicht grote hoeveelheden vetoplosbare geneesmiddelen opslaan, terwijl zeer magere mensen hiervan relatief weinig kunnen opslaan. Ouderen kunnen (ook als ze mager zijn) grote hoeveelheden vetoplosbare geneesmiddelen opslaan doordat de hoeveelheid lichaamsvet met de leeftijd toeneemt.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Biotransformatie van geneesmiddelen

Volgende: Eliminatie van geneesmiddelen

Illustraties
Tabellen
Disclaimer