MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Print dit onderwerp

Sectie

Hoofdstuk

Elektriciteitsletsel

-
-

Elektriciteitsletsel treedt op wanneer een stroom door het lichaam heen gaat, waarbij de functie van een inwendig orgaan wordt verstoord en weefsel soms verbrandt.

Elektriciteitsletsel kan het gevolg zijn van contact met ondeugdelijke elektrische apparatuur, door onopzettelijk contact met de elektrische bedrading in huis of door het aanraken van een hoogspanningsleiding. Elektriciteitsletsel kan ook bij blikseminslag (zie Letsel door elektrische stroom of bliksem: Bliksemletsel) optreden. De ernst van de verwondingen varieert van licht tot dodelijk en is afhankelijk van de kracht van de stroom, het type stroom, de route die de stroom door het lichaam aflegt, de duur van de blootstelling aan de stroom en de elektrische weerstand.

De kracht van de stroom wordt in volts uitgedrukt. De netspanning in Nederland en België is 230 Volt. Een spanning boven 1000 Volt wordt als hoogspanning beschouwd. Hoogspanning kan zich door de lucht verplaatsen (boogontlading), over een afstand van een paar centimeter tot circa een meter, afhankelijk van het voltage. Bij hoogspanningsbronnen kunnen tevens elektrische flitsverbrandingen door boogontladingen ontstaan als de weerstand tussen bron en lichaam zo laag is dat de stroom via de lucht tussen bron en lichaam tot stand komt. De flits die hierbij ontstaat, kan temperaturen hebben van 3000 tot 20.000 graden. Iemand kan dus al verwond raken wanneer hij te dicht bij een hoogspanningsleiding komt. Hoogspanning veroorzaakt ernstiger verwondingen dan een lagere spanning en de kans is groter dat er inwendig letsel optreedt. De nieren kunnen beschadigd raken wanneer door hoogspanning een grote hoeveelheid spierweefsel verbrandt. Daarbij komen namelijk afvalstoffen van spieren in de bloedbaan terecht, die de nieren beschadigen (rabdomyolyse). (zie Brandwonden: Complicaties)

Elektrische stroom kan gelijkstroom of wisselstroom zijn. Gelijkstroom, zoals die bijvoorbeeld door batterijen wordt opgewekt, heeft altijd dezelfde stroomrichting. Wisselstroom, bijvoorbeeld de stroom die een stopcontact in huis levert, wisselt telkens van stroomrichting. Wisselstroom, die standaard in woningen aanwezig is, is gevaarlijker dan gelijkstroom. Gelijkstroom veroorzaakt een enkele sterke spiersamentrekking die vaak zo sterk is dat het slachtoffer loskomt van de stroombron. Wisselstroom veroorzaakt een aanhoudende spiersamentrekking, waardoor mensen vaak niet in staat zijn om de stroombron los te laten. Gevolg is dat het slachtoffer langdurig aan stroom kan worden blootgesteld. Zelfs een geringe hoeveelheid wisselstroom, die hooguit als een lichte schok wordt ervaren, kan er al voor zorgen dat het niet lukt de stroombron los te laten. Een iets sterkere wisselstroom kan een samentrekking van de borstspieren veroorzaken, waardoor het slachtoffer niet meer kan ademhalen. Een nog sterkere wisselstroom kan tot een dodelijke verstoring van het hartritme leiden.

De route die de stroom door het lichaam aflegt, bepaalt welk weefsel wordt beschadigd. De meest voorkomende plaats van binnenkomst van de elektriciteit is de hand, gevolgd door het hoofd (vooral de mond). De meest voorkomende uittredeplaats is de voet. Stroom die van arm naar arm of van arm naar been vloeit, kan door het hart gaan en is daardoor veel gevaarlijker dan stroom die van een been naar de grond vloeit. Stroom die door het hoofd gaat, kan de hersenen beschadigen.

De gevoeligheid voor stroomschade verschilt per weefseltype. Zenuwen, bloedvaten en spieren raken bijvoorbeeld sneller beschadigd dan botten en pezen. Een stroom die door een been of arm gaat, veroorzaakt in het algemeen meer inwendige schade dan een even sterke stroom door het bovenlichaam.

Weerstand is de mate waarin de elektrische stroom kan worden belemmerd. De grootste weerstand van het lichaam wordt geleverd door de huid. Hoe dikker de huid, hoe groter de weerstand. Zo biedt een dikke, vereelte handpalm of voetzool veel meer weerstand tegen een elektrische stroom dan een dun huidgebied, zoals de binnenzijde van de arm. De huidweerstand wordt minder wanneer de huid beschadigd is (bijvoorbeeld door een prik- of schaafwond) of nat is. Bij een hoge huidweerstand is het letsel grotendeels plaatselijk en ontstaan er alleen brandwonden op de huid. Als de huidweerstand laag is, worden de inwendige organen meer aangetast. Er treedt dus hoofdzakelijk inwendig letsel op als iemand die nat is in contact komt met elektrische stroom. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer een föhn in bad valt of wanneer iemand in een plas stapt die contact maakt met een hoogspanningsleiding die op de grond is terechtgekomen.

Symptomen

Het meest voorkomende symptoom van elektriciteitsletsel is een brandwond op de huid (zie Brandwonden), hoewel niet alle vormen van elektriciteitsletsel uitwendige verwondingen veroorzaken. Hoogspanning kan zware inwendige brandwonden veroorzaken. Als er ernstig spierletsel is, kan een arm of been zo opzwellen dat de slagaders plaatselijk worden dichtgedrukt (compartimentsyndroom (zie Fracturen: Symptomen en complicaties)), waardoor de bloedtoevoer naar dat gebied wordt afgesneden. Als een stroom in de buurt van de ogen loopt, kan dat staar (cataract) veroorzaken. Een cataract kan binnen een aantal dagen, maar ook pas jaren na het ongeval ontstaan.

Jonge kinderen die op een verlengsnoer bijten of daaraan sabbelen, kunnen hun mond en lippen verbranden. Deze brandwonden kunnen leiden tot gezichtsvervormingen en tot problemen bij de ontwikkeling van tanden, kaak en gezicht. Een bijkomend gevaar is het risico van een ernstige bloeding uit een slagader in de lip.

Een lichte schok veroorzaakt soms spierpijn en lichte spiersamentrekkingen of een schrikreactie, waardoor het slachtoffer kan vallen. Een zware schok kan zulke heftige spiersamentrekkingen veroorzaken dat het slachtoffer op de grond geslingerd wordt, waarbij hij gewrichtsdislocaties, botbreuken of ander letsel kan oplopen. Een zware schok kan bovendien hartritmestoornissen veroorzaken. Deze kunnen zonder gevolgen blijven, maar ook op slag dodelijk zijn. Ook kan de pompfunctie van het hart verstoord raken.

De zenuwen en hersenen kunnen diverse vormen van schade oplopen, resulterend in epileptische aanvallen, hersenbloedingen, verminderd kortetermijngeheugen, persoonlijkheidsveranderingen, gedragsveranderingen of slaapproblemen. Beschadiging van de zenuwen in het lichaam of het ruggenmerg kan leiden tot krachtsverlies (parese), verlamming (paralyse), gevoelloosheid, tintelingen, controleverlies over urine (incontinentie) en chronische pijn.

Preventie

Kennis over elektriciteit en voorzichtigheid bij het omgaan met elektriciteit zijn van groot belang. Ongevallen met elektriciteit thuis en op het werk kunnen worden voorkomen door ervoor te zorgen dat ontwerp, installatie en onderhoud van alle elektrische apparaten in orde zijn. Installatie en onderhoud van elektrische bedrading dienen door bevoegde technici te worden uitgevoerd.

Alle elektrische apparatuur die in contact met het lichaam komt of kan komen, dient correct geaard te worden. Een geaard stopcontact is het veiligst. Het aanpassen van een niet-geaarde stekker voor een geaard stopcontact is gevaarlijk en vergroot het risico van elektriciteitsletsel. Een stroomonderbreker die de stroom uitschakelt wanneer er sprake is van lekstroom (minimaal 5 milliampère) is raadzaam voor ‘natte cellen' zoals een keuken of badkamer, en voor aansluitingen buitenshuis.

Om letsel als gevolg van een boogontlading te voorkomen, dienen ladders nooit te dicht bij hoogspanningsleidingen te worden gebruikt.

Behandeling

Eerst moet het contact tussen het slachtoffer en de stroombron worden verbroken. De veiligste manier is het afsluiten van de stroom, bijvoorbeeld door het omzetten van een aardlekschakelaar of door de stekker van een elektrisch apparaat uit het stopcontact te halen. Niemand mag het slachtoffer aanraken voordat de stroom is afgesloten. Dat geldt in het bijzonder als het om hoogspanning zou kunnen gaan. Hoogspanningsleidingen zijn soms moeilijk van laagspanningsleidingen te onderscheiden, vooral buitenshuis. Het afsluiten van de stroomtoevoer van hoogspanningsleidingen moet door de elektriciteitsmaatschappij gebeuren. Veel mensen hebben elektriciteitsletsel opgelopen bij goedbedoelde pogingen een slachtoffer bij een stroombron weg te halen.

Zodra het slachtoffer veilig kan worden aangeraakt, dient de hulpverlener eerst na te gaan of hij ademt en of er een hart- of polsslag voelbaar is. Als het slachtoffer niet ademt en geen hart- of polsslag voelbaar is, dient er onmiddellijk met hartmassage (cardiopulmonale resuscitatie, CPR) te worden begonnen. (zie Spoedeisende hulp: Hartstilstand)

Als het om meer dan licht letsel gaat, moet er onmiddellijk medische hulp worden ingeroepen. In het ziekenhuis controleert een arts of er sprake is van botbreuken, gewrichtsdislocaties, beschadigingen van het ruggenmerg of ander letsel. Mensen met rabdomyolyse krijgen grote hoeveelheden vocht met natriumbicarbonaat intraveneus toegediend. Soms is nierdialyse noodzakelijk. Eventueel wordt er ook een tetanusinjectie gegeven.

Aangezien de omvang van elektriciteitsletsel bedrieglijk kan zijn, moet er bij twijfel over de ernst van het letsel altijd medische hulp worden ingeroepen.

Huidverbrandingen worden behandeld met brandzalf (bijvoorbeeld zilversulfadiazine, mupirocine, bacitracine of steriele aloë vera) en steriel verband. Iemand met uitsluitend lichte brandwonden op de huid kan thuis worden behandeld. Is het letsel ernstiger (bijvoorbeeld omdat inwendig letsel wordt vermoed), dan wordt het slachtoffer in het ziekenhuis opgenomen, bij voorkeur een brandwondencentrum. Er wordt een elektrocardiogram (ECG) gemaakt om de hartslag te controleren en aan de hand van de bloedwaarden wordt vastgesteld of het hart beschadigd is. Het slachtoffer wordt voor 12 tot 24 uur in het ziekenhuis opgenomen als de uitslag van het ECG afwijkend is. Dit beleid geldt ook bij een comateuze patiënt of wanneer er hartklachten zijn (bijvoorbeeld pijn op de borst, benauwdheid, hartkloppingen) of ander ernstig letsel. Jonge kinderen die op een verlengsnoer hebben gesabbeld, moeten voor nazorg worden doorverwezen naar een kaakchirurg, een mondchirurg of een chirurg die gespecialiseerd is in brandwonden.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Disclaimer