MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Print dit onderwerp

Sectie

Hoofdstuk

Diagnostisch onderzoek

-
-

Tijdens lichamelijk onderzoek probeert de arts de nieren te voelen. Behalve bij pasgeboren kinderen zijn gezonde nieren bij kinderen en volwassenen gewoonlijk niet te voelen, maar grote cystennieren of een niertumor kunnen soms wel worden gevonden. Vaak is een gezwollen blaas ook voelbaar. Bij mannen wordt rectaal onderzoek gedaan om vast te stellen of de prostaat vergroot is. De grootte van de prostaat zoals die met rectaal onderzoek wordt vastgesteld, komt echter niet altijd overeen met de mate van afsluiting van de plasbuis.

Er kunnen aanvullende procedures nodig zijn om de diagnose van een nier- of urinewegaandoening te stellen.

Urineonderzoek

Urineonderzoek kan worden gebruikt om de aanwezigheid en de hoeveelheid van een groot scala van stoffen in de urine te bepalen. Bij deze onderzoeken wordt in eerste instantie een dun plastic stripje (teststrook of ‘dipstick') gebruikt waarop chemische stoffen zijn aangebracht. Deze stoffen reageren met stoffen in de urine (albumine, hemoglobine, leukocyten, ketonen en glucose) waardoor de strip van kleur verandert. Vaak worden de uitslagen bevestigd met nauwkeuriger urineonderzoek in het laboratorium. Een urinesediment wordt onder een microscoop onderzocht op de aanwezigheid van rode en witte bloedcellen, kristallen en cilinders (klompjes cellen).

Eiwit: eiwitten in de urine (proteïnurie) kunnen meestal snel met een dipstick worden aangetoond of rechtstreeks worden bepaald. Eiwitten kunnen constant of af en toe in de urine aanwezig zijn, afhankelijk van de oorzaak. Proteïnurie is meestal een aanwijzing voor een nierziekte, maar het verschijnsel kan ook gewoon optreden na een zware lichamelijke inspanning als marathonlopen.

Glucose: glucose (suiker) in de urine (glucosurie) kan met een dipstick nauwkeurig worden aangetoond. De meest voorkomende oorzaak van glucose in de urine is diabetes mellitus. Als er glucose in de urine aanwezig blijft terwijl de bloedglucosespiegel normaal is, wordt de glucosurie door een gestoorde heropname van glucose door de niertubuli (renale glucosurie) veroorzaakt.

Ketonen: ketonen in de urine (ketonurie) kunnen met een dipstick worden aangetoond. Ketonen ontstaan wanneer het lichaam vet afbreekt. Bij verhongering, slecht gereguleerde diabetes mellitus en alcoholisme kan de urine ketonen bevatten.

Bloed: bloed in de urine (hematurie) kan met een dipstick worden aangetoond en kan met microscopisch onderzoek en andere onderzoeken worden bevestigd. Soms bevat de urine zo veel bloed dat dit met het blote oog is waar te nemen. De urine is dan rood of bruin gekleurd.

Nitriet: nitriet in de urine (nitriturie) wordt eveneens met een dipstick aangetoond. Hoge nitrietspiegels duiden op een bacteriële urineweginfectie.

Leukocytesterase: leukocytesterase (een enzym in bepaalde witte bloedcellen) in de urine kan met een dipstick worden aangetoond. Leukocytesterase is een aanwijzing voor een ontsteking, die in de meeste gevallen door een urineweginfectie wordt veroorzaakt.

Concentratie: de urineconcentratie (ook ‘osmolaliteit' of ‘soortelijk gewicht' genoemd) kan belangrijk zijn bij het diagnosticeren van een nierfunctiestoornis. De nieren verliezen hun vermogen urine te concentreren al in een vroeg stadium van een aandoening die tot nierinsufficiëntie leidt. Hiervoor bestaan speciale onderzoeken. Bij één zo'n onderzoek mag de patiënt gedurende 12 tot 14 uur geen water of andere vloeistoffen drinken, bij een ander onderzoek wordt een injectie met antidiuretisch hormoon toegediend. Vervolgens wordt de urineconcentratie gemeten. Bij gezonde mensen zou de urine in beide gevallen zeer geconcentreerd worden. Bij bepaalde nierziekten (zoals nefrogene diabetes insipidus) kan de urine echter niet worden geconcentreerd, ook al zijn andere nierfuncties wel normaal.

Sediment: het sediment (bezinksel) in urine kan onder een microscoop worden onderzocht op aanwijzingen voor een mogelijke nier- of urinewegaandoening. Meestal bevat de urine een klein aantal cellen en ander restmateriaal dat van de binnenkant van de urinewegen afkomstig is. Bij patiënten met een aandoening van de nierfilters kunnen rode bloedcellen, soms verpakt in cilinders, in het sediment worden gezien. Rode bloedcellen zijn ook een uiting van urinewegaandoeningen, zoals kanker. Witte bloedcellen en bacteriën worden in het sediment bij een urineweginfectie gezien.

Urinekweek: een urinekweek is een onderzoek waarbij bacteriën uit een urinemonster in een laboratorium worden gekweekt om een urineweginfectie aan te tonen. Het urinemonster moet als gewassen middenportie worden verkregen. Andere methoden om een niet-vervuild urinemonster te verkrijgen zijn het inbrengen in de blaas van een katheter via de plasbuis of via de buikwand (suprapubische blaaspunctie).

Afname van een gewassen middenportie urine

1.De kop van de penis bij de man of de opening van de plasbuis bij de vrouw wordt schoongemaakt, meestal met een wattenbolletje met een desinfecterend middel.

2.Het eerste beetje urine wordt gebruikt om de plasbuis door te spoelen; dit wordt weggegooid.

3.Van de urine die daarna komt, wordt een monster uit de straal in een steriele beker opgevangen.

Nierfunctieonderzoek

Met onderzoek van bloed- en urinemonsters kan de nierfunctie worden beoordeeld. De filtratiesnelheid van de nieren kan worden berekend door de creatininespiegel van het serum te bepalen (creatinine is een afvalproduct uit de spieren). De creatinineklaring (een nauwkeuriger onderzoek) kan aan de hand van een bloedmonster bij benadering worden berekend. Hierbij wordt een formule gebruikt die de creatininespiegel van serum afzet tegen leeftijd, gewicht en geslacht van de patiënt. Om de creatinineklaring nauwkeurig te bepalen, moet gedurende een vastgestelde periode de urine nauwkeurig worden verzameld en de creatininespiegel van het serum worden bepaald. Ook de ureumspiegel van het bloed kan een aanwijzing opleveren over de nierfunctie, al zijn er nog andere factoren die deze waarde kunnen beïnvloeden.

Beeldvormend onderzoek

Röntgenfoto's: een overzichtsfoto van de buik kan de grootte en de positie van de nieren aantonen en maakt kalkhoudende stenen in de urinewegen zichtbaar. Tegenwoordig wordt een röntgenfoto nog maar zelden aangevraagd.

Echografie: bij echografie leveren weerkaatste geluidsgolven een beeld van de nieren, de urinewegen en de blaas op. Echografie is vaak het eerste beeldvormende onderzoek omdat het veilig kan worden uitgevoerd, ook als de nierfunctie aangetast is. Er hoeft niets in het lichaam te worden ingebracht, het is pijnloos en er is geen (röntgenologisch zichtbare) contrastvloeistof bij nodig. Echografie levert enige indirecte informatie op over de nierfunctie, is een uitstekende manier om de grootte en de positie van de nieren te schatten, kan zinvol zijn bij het diagnosticeren van structurele afwijkingen en er is snel een afsluiting mee op te sporen. Bij het opsporen van niertumoren is echografie minder nauwkeurig dan computertomografie (CT-scan), maar het is uitermate bruikbaar om een eenvoudige goedaardige cyste te onderscheiden van een gecompliceerde cyste of van een vaste massa die kwaadaardig kan zijn. Verder wordt echografie gebruikt om vast te stellen wat de beste plaats is voor een nierbiopsie.

Alle soorten stenen in de nieren en de urinewegen, ook stenen waar geen kalk in zit, kunnen met echografie worden opgespoord. Stenen kleiner dan 5 mm kunnen echter over het hoofd worden gezien. Wanneer de arts vermoedt dat de blaas mogelijk niet goed kan worden geleegd, wordt soms een echo gemaakt om de hoeveelheid urine die in de blaas achterblijft te meten nadat de patiënt alle mogelijke moeite gedaan heeft om uit te plassen.

Computertomografie (CT-scan): computertomografie (CT-scan) wordt gebruikt om de nieren te beoordelen op aanwezigheid van stenen, cysten en tumoren. Met een spiraal-CT-scan, een onderzoek waarbij de patiënt constant door de CT-scanner beweegt, kan het scannen sneller worden uitgevoerd. Een spiraal-CT-scan wordt vooral gebruikt bij onderzoek naar een vernauwing van de nierslagaders. Door gebruik van contrastvloeistof zijn deze bloedvaten duidelijker te zien.

Magnetische kernspinresonantie (MRI-scan): met magnetische kernspinresonantie, kortweg MRI (de afkorting van magnetic resonance imaging), kunnen driedimensionale afbeeldingen worden gemaakt van de nieren, de bloedvaten en structuren rond de nieren. Met een MRI-scan kunnen tumoren van cysten worden onderscheiden. Wanneer de MRI-beelden met een paramagnetisch contrastmiddel worden versterkt, kunnen afwijkingen van de nierslagader worden vastgesteld.

Intraveneuze pyelografie (IVP): bij een IVP wordt contrastvloeistof gebruikt om afbeeldingen te maken van de nieren, de urineleiders en de blaas. Intraveneuze urografie wordt soms nog toegepast bij een verstoorde urineafvloed om vast te stellen waar de urinestroom geblokkeerd is en wat de achterliggende oorzaak is. Met een IVP kunnen ook abnormale verbindingen (fistels) tussen de urinewegen en de huid of andere organen in beeld worden gebracht. Dit onderzoek werkt niet goed bij patiënten met een slechte nierfunctie omdat de nieren de contrastvloeistof dan niet goed kunnen concentreren en uitscheiden.

Een cystogram, een röntgenopname van de blaas, maakt deel uit van IVP. Wanneer foto's van de blaas en de plasbuis tijdens en onmiddellijk na het urineren worden gemaakt, heet het onderzoek een ‘mictiecystogram'. Dit onderzoek is vooral bij recidiverende urineweginfecties zinvol om anatomische afwijkingen op te sporen.

Retrograde urografie: bij retrograde urografie wordt een contrastvloeistof (dezelfde als bij IVP) rechtstreeks ingespoten via een cystoscoop of een katheter die via de blaas in de urineleider is ingebracht. Deze techniek levert goede afbeeldingen op van de blaas, de urineleiders en het nierbekken wanneer een IVP onvoldoende informatie heeft opgeleverd. Retrograde urografie is ook zinvol bij onderzoek naar een afsluiting van een urineleider. Nadelen zijn het risico van infectie en soms de noodzaak van algehele verdoving.

Scintigrafie: een nierscintigram is een beeldvormende techniek waarbij een radioactieve chemische stof wordt geïnjecteerd, waarna met een speciale gammacamera kleine hoeveelheden straling worden gemeten. Met een bepaald type scintigram (het ‘renogram') kan de bloedstroom in de nieren worden beoordeeld. Scintigrafie wordt ook toegepast om de links-rechtsverhouding van de nierfunctie vast te stellen.

Angiografie: bij angiografie wordt een contrastvloeistof in de nierslagader geïnjecteerd. Omdat dit onderzoek met meer risico's gepaard gaat dan alle andere beeldvormende onderzoeken van de nieren, wordt angiografie gereserveerd voor bijzondere situaties, zoals beoordeling en herstel van de bloedtoevoer naar de nieren. Complicaties van angiografie zijn onder meer letsel van de aangeprikte slagaders, bloedingen, een allergische reactie op de contrastvloeistof en acute nierinsufficiëntie door de contrastvloeistof.

Cystoscopie

Sommige aandoeningen van de blaas en de plasbuis kunnen worden gediagnosticeerd door er met een buigzame kijkbuis (de cystoscoop, een bepaald soort endoscoop) in te kijken. Een cystoscoop is ongeveer even dik als een potlood en kan tussen 30 en 150 cm lang zijn. De meeste cystoscopen zijn voorzien van een lampje en een camera, zodat het inwendige van de blaas en de plasbuis kan worden geïnspecteerd. Bij veel cystoscopen zit aan de punt ook een klein tangetje waarmee de arts een stukje weefsel van de binnenbekleding van de blaas kan wegnemen.

Afname van cel- en weefselmonsters

Nierbiopsie: een nierbiopsie (waarbij voor microscopisch onderzoek een stukje nierweefsel wordt weggenomen) wordt vooral uitgevoerd bij de diagnostiek van aandoeningen waarbij de gespecialiseerde bloedvaatjes van de nieren (de glomeruli) te veel eiwit doorlaten (nefrotisch syndroom) of bij de diagnostiek van acute nierinsufficiëntie. Vaak wordt een biopsie bij een getransplanteerde nier uitgevoerd om deze te kunnen onderzoeken op afstotingsverschijnselen.

Bij een nierbiopsie ligt de patiënt op de buik en wordt een middel voor plaatselijke verdoving in de huid en de rugspieren boven de nieren geïnjecteerd. Echografie of computertomografie (CT-scan) wordt toegepast om het gedeelte van de nier met de glomeruli (nierschors) te lokaliseren en om het onbedoeld aanprikken van grote bloedvaten te vermijden. De biopsienaald wordt door de huid in de nier ingebracht.

Deze ingreep wordt afgeraden bij patiënten met een slecht gereguleerde hoge bloeddruk, bloedstollingsstoornissen of een actieve urineweginfectie en bij patiënten met slechts één nier (behalve als dit een getransplanteerde nier is). Complicaties zijn bloedingen bij de nier en het ontstaan van kleine arterioveneuze fistels (abnormale verbindingen tussen zeer kleine slagaders en aders in de nier).

Cytologisch urineonderzoek: cytologisch urineonderzoek is microscopisch onderzoek van de urine op kankercellen. Dit onderzoek is soms zinvol bij het diagnosticeren van kanker van de nieren of de urinewegen. Bij mensen met een verhoogd risico (bijvoorbeeld rokers, werknemers in de petrochemische industrie en mensen met pijnloze bloedingen) kan cytologisch urineonderzoek worden toegepast om op blaas- en nierkanker te screenen. Bij patiënten bij wie een blaas- of niertumor is verwijderd, kan dit onderzoek bij nacontrole worden gebruikt. Cytologisch urineonderzoek levert echter niet altijd betrouwbare uitslagen op: soms duidt de uitslag op een tumor die er feitelijk niet is (fout-positief) en soms worden geen aanwijzingen voor kanker gevonden terwijl er wel een tumor is (fout-negatief), vooral als de tumor nog maar net is ontstaan of zeer langzaam groeit.

Problemen met contrastvloeistof

Bij het in beeld brengen van de nieren en de urinewegen wordt veel van röntgenologisch zichtbare contrastvloeistoffen gebruikgemaakt. Sommige van die stoffen kunnen twee soorten problemen veroorzaken. Patiënten vertonen soms een reactie op contrastvloeistof die sterk op een allergische reactie lijkt. Andere patiënten krijgen soms nierproblemen als gevolg van de giftige effecten van de kleurstof.

Bij ongeveer 5% van de patiënten die een intraveneuze injectie met contrastvloeistof krijgen, ontstaat een soort allergische reactie, zoals een rode huiduitslag, jeukende bultjes (netelroos), ademhalingsproblemen of bloeddrukdaling. In een uiterst zeldzaam geval kan de reactie een dodelijke afloop hebben. Het is onmogelijk met zekerheid te zeggen of iemand een reactie zal krijgen. Bij patiënten die al eens eerder een reactie op contrastvloeistof hebben gehad, kunnen bepaalde geneesmiddelen worden toegediend (zoals prednison of difenhydramine) voordat de kleurstof wordt ingespoten. Hierdoor neemt de kans op reacties af en zijn de reacties minder ernstig als ze toch optreden.

De nierproblemen als gevolg van de giftige effecten van de kleurstof kunnen variëren. Een lichte verslechtering van de nierfunctie komt vaak voor. Een ernstigere, soms onherstelbare vorm van nierinsufficiëntie kan ontstaan bij patiënten die al een verminderde nierfunctie hebben en bij patiënten met een andere aandoening waarbij de bloedstroom naar de nieren afgenomen is, zoals uitdroging, hartfalen of diabetes mellitus. Wanneer contrastvloeistof bij iemand met een verhoogd risico van nierproblemen moet worden gebruikt, kan vooraf oraal acetylcysteïne in combinatie met intraveneus vocht worden toegediend. Er wordt een zo klein mogelijke dosis van de kleurstof gebruikt. Soms kan een alternatief onderzoek zonder gebruik van kleurstof worden uitgevoerd, zoals computertomografie (CT-scan) of magnetische kernspinresonantie (MRI-scan).

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Disclaimer