MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Print dit onderwerp

Sectie

Hoofdstuk

Introductie

-
-

Omdat reuk- en smaakstoornissen zelden levensbedreigend zijn, krijgen ze mogelijk niet altijd uitgebreide medische aandacht. Toch kunnen deze stoornissen hinderlijk zijn doordat ze invloed hebben op het vermogen om te genieten van eten en drinken en aangename geuren. Ook kunnen ze invloed hebben op het vermogen om potentieel gevaarlijke chemische stoffen en gassen op te merken, met alle gevolgen van dien. Soms is de aantasting van de reuk- en smaakzin een gevolg van een ernstige aandoening, zoals een tumor.

Reuk en smaak zijn nauw met elkaar verbonden. De smaakpapillen van de tong registreren smaak, de zenuwen in de neus geur. Beide gewaarwordingen worden naar de hersenen doorgestuurd, die de informatie combineren zodat smaken kunnen worden herkend en beoordeeld. Hoewel sommige smaken (zout, bitter, zoet en zuur) zonder reukzin kunnen worden herkend, is voor complexere smaken (van frambozen, bijvoorbeeld) zowel smaak- als reukzin noodzakelijk.

Over het algemeen begint bij mensen vanaf 50 jaar het vermogen om te ruiken en te proeven langzaam af te nemen. Bij ongeveer 40% van de ouderen is het reukvermogen aanzienlijk afgenomen.

Een verminderd reukvermogen (hyposmie) en verlies van reukvermogen (anosmie) zijn de meest voorkomende aandoeningen van reuk- en smaakzin. Doordat het onderscheid tussen de ene en de andere smaak voor een groot deel afhankelijk is van de reuk, valt een verminderd reukvermogen vaak pas op wanneer het voedsel smakeloos lijkt.

Het reukvermogen kan worden aangetast door veranderingen in de neus, in de zenuwen die van de neus naar de hersenen lopen of in de hersenen zelf. Als de neusholte bijvoorbeeld verstopt is door een verkoudheid, kan de reukzin zijn verminderd doordat geuren de geurreceptoren (gespecialiseerde zenuwcellen in het slijmvlies van de neus) dan niet kunnen bereiken. Doordat het reukvermogen invloed heeft op de smaak, vindt iemand die verkouden is vaak dat het eten niet smaakt. Geurreceptoren kunnen tijdelijk beschadigd zijn door het influenzavirus (griep). Soms kunnen mensen na een griepaanval verscheidene dagen of zelfs weken niet goed ruiken of proeven. In zeldzame gevallen is het verlies van reuk- of smaakzin blijvend.

Soms kan door ernstige infecties van de neusbijholten of door bestraling bij kanker de reuk- of smaakzin maandenlang of zelfs blijvend verloren gaan, doordat hierdoor de geurreceptoren kunnen worden beschadigd of vernietigd.

De meest voorkomende oorzaak van blijvend verlies van reukzin is echter hoofdletsel, zoals dat vaak ontstaat bij een auto-ongeluk. Wanneer vezels van de reukzenuwen (het paar hersenzenuwen dat de geurreceptoren met de hersenen verbindt) beschadigd raken of boven in de neusholte afscheuren, gaat de reukzin blijvend verloren. De bovenkant van de neusholte wordt gevormd door een bot (de zeefplaat) dat de hersenen van de neusholte scheidt. Beschadiging van de reukzenuwen kan ook een gevolg zijn van een fractuur van de zeefplaat of van een tumor vlakbij dit bot. Het komt zelden voor dat iemand zonder reukzin wordt geboren.

Overgevoeligheid voor geurprikkels (hyperosmie) komt veel minder vaak voor dan anosmie, maar zwangere vrouwen worden wel vaak overgevoelig voor geuren. Hyperosmie kan ook psychosomatisch zijn. Psychosomatische hyperosmie komt meer voor bij mensen met een theatrale persoonlijkheid (op een opvallende manier aandacht trekken met overdreven gedrag (zie Persoonlijkheidsstoornissen: Cluster B: Theatraal of grillig gedrag)).

Een verstoord reukvermogen waardoor normale geuren als vies worden ervaren (dysosmie), kan het gevolg zijn van infecties in de neusbijholten of van een beschadiging van de reukzenuwen. Andere oorzaken van dysosmie zijn een slechte gebitshygiëne en mondinfecties. Dysosmie kan een symptoom van depressie zijn. Epileptische aanvallen die ontstaan in het gedeelte van de hersenen waar de reukherinneringen zijn opgeslagen (het midden van de slaapbeenkwab), kunnen korte, levendige en onaangename reukbelevingen oproepen (olfactoire hallucinaties) Deze geuren behoren tot het deel van de epileptische aanval dat ‘aura' wordt genoemd, maar zijn geen reukstoornis.

Een vermindering (hypogeusie) of een verlies van de smaakzin (ageusie) is in de meeste gevallen een gevolg van aandoeningen van de tong. Voorbeelden zijn een zeer droge mond, veel roken (vooral pijproken), bestraling van hoofd en hals en bijwerkingen van geneesmiddelen als vincristine (een middel gebruikt bij chemotherapie) of amitriptyline (een middel tegen depressie). Bij aangezichtsverlamming raakt vaak de smaakzin verloren aan het voorste tweederde gedeelte van één kant van de tong (aan de kant van de verlamming).

Een smaakstoornis (dysgeusie) kan door veel van dezelfde aandoeningen worden veroorzaakt die ook leiden tot verlies van de smaakzin, zoals depressie en epileptische aanvallen. Door verbranden van de tong kunnen smaakpapillen tijdelijk worden vernietigd.

Hoe mensen smaak waarnemen

Hoe mensen smaak waarnemen

Om de meeste smaken te kunnen onderscheiden, hebben de hersenen informatie nodig over zowel smaak- als reuksensaties. Deze zintuiglijke gewaarwordingen worden vanuit de neus en de mond aan de hersenen doorgegeven. In verschillende gebieden in de hersenen wordt deze informatie samengevoegd, waardoor mensen in staat zijn smaken te herkennen en te waarderen.

Een klein gebied van de slijmvliesbekleding van de neus (olfactoir epitheel of reukepitheel) bevat gespecialiseerde zenuwcellen die geur waarnemen, ‘geurreceptoren' genaamd. Deze receptoren hebben haarachtige uitsteeksels (cilia) die geuren waarnemen. Wanneer in de lucht aanwezige moleculen in de neusholte komen, stimuleren ze de cilia waardoor een zenuwimpuls in nabijgelegen zenuwvezels wordt opgewekt. De vezels strekken zich naar omhoog uit, door het bot dat de bovenkant van de neusholte vormt (de zeefplaat), waar ze een verbinding vormen met uitgroeisels van zenuwcellen (bulbus olfactorius) die samen de reukzenuw vormen (nervus olfactorius). De impuls gaat door de bulbus olfactorius, langs de nervus olfactorius naar de hersenen. De hersenen interpreteren deze zenuwprikkels als een bepaalde geur. Ook wordt een gebied in de hersenen gestimuleerd waar herinneringen aan geuren worden bewaard: het middelste gedeelte van de slaapbeenkwab. Door deze herinneringen is iemand in staat om de veel verschillende, in de loop van zijn leven waargenomen geuren te onderscheiden.

Het grootste deel van het tongoppervlak is met duizenden kleine smaakpapillen overdekt. Wanneer voedsel in de mond komt, worden de receptoren in de smaakpapillen geprikkeld. Smaakreceptoren hebben cilia waarmee smaken worden opgemerkt. Voedselmoleculen stimuleren de cilia, waardoor een zenuwimpuls wordt opgewekt in nabijgelegen zenuwvezels, die met de smaakzenuwen (nervus facialis en nervus glossopharyngeus) zijn verbonden. De impuls gaat langs deze hersenzenuwen naar de hersenen, waar de impuls als een bepaalde smaak wordt herkend. De smaakpapillen kunnen zoet, zout, zuur en bitter herkennen. Combinaties van deze vier basissmaken leveren een breed scala aan smaken op.

Diagnose en behandeling

De arts kan de reukzin testen door gewone geurige stoffen (zoals zeep, een vanillepeul, koffie of kruidnagels) eerst onder het ene en dan onder het andere neusgat van de patiënt te houden. De patiënt moet dan proberen aan te geven wat hij ruikt. De smaakzin kan met zoete (suiker), zure (citroensap), zoute (zout) of bittere (acetylsalicylzuur, kinine, aloë) stoffen worden getest. De arts of tandarts controleert ook of de mond geïnfecteerd of droog is. In zeldzame gevallen is computertomografie (CT) of een MRI-scan (magnetische kernspinresonantie) noodzakelijk om structurele afwijkingen (zoals een tumor, een abces of een fractuur) nabij de zeefplaat op te sporen.

De behandeling hangt af van de oorzaak van de reuk- of smaakstoornis. Infectie en irritatie van de neusbijholten worden bijvoorbeeld behandeld met stoombaden, neussprays, antibiotica en soms met een operatie. (zie Aandoeningen van de neus en neusbijholten: Behandeling)

Tumoren worden operatief verwijderd of bestraald, maar de reukzin wordt hierdoor meestal niet hersteld. De arts kan aanraden om een ander geneesmiddel te gebruiken of een geneesmiddel niet meer te gebruiken, de mond vochtig te houden door op een snoepje te zuigen, de gebitshygiëne te verbeteren of een paar weken af te wachten om te zien of het probleem (als het door een griepje is veroorzaakt) vanzelf verdwijnt. Vrij verkrijgbare zinksupplementen zouden het herstel bespoedigen, vooral bij smaakstoornissen als gevolg van een griepaanval. Een dergelijk effect is echter niet wetenschappelijk bewezen.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Disclaimer